Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
In de zomer van 2024 had Das Mag een bescheiden hype te pakken met een heruitgegeven Nederlandse vertaling van Ágota Kristófs Tweelingentrilogie. De meesterlijke postmoderne romancyclus, oorspronkelijk verschenen in het Frans eind jaren tachtig, is een nietsontziende kroniek over trauma, (oorlogs)geweld, waarheid en herinnering. Mathias Enards nieuwste worp, Dans van verraad (Uitgeverij Oevers, 2024, vertaald uit het Frans door Katrien Vandenberghe) raakt aan dezelfde thema’s, zonder echter Kristófs klasse helemaal te evenaren.
Toen Rusland in februari 2022 Oekraïne binnenviel, werkte Enard al aan een tekst over de fictieve wiskundige Paul Heudeber, ‘rabiaat communist’ en overlevende van Buchenwald, ‘het kamp tussen de beuken’. In deze tekst probeert Pauls dochter Irina het verhaal van haar ouders, nauw vergroeid met de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis en de Koude Oorlog, te ontrafelen. Ze leest hun brieven en blikt terug op een congres georganiseerd ter ere van haar vader in 2001, gewelddadig onderbroken door het nieuws en de beelden van de aanslag op de Twin Towers. Deze tekst werd uiteindelijk slechts één van de twee verhaallijnen in Enards roman: de gruwelbeelden van een nieuwe oorlog aan de rand van Europa deden hem inzien dat het verhaal van de wiskundige en de spanningen op het geopolitieke strijdtoneel niet volstonden. Tegenover die ambitieuze verhaallijn plaatste hij het ‘kleine’ relaas van een naamloze deserteur die in een niet nader genoemd land rondtrekt tussen de bergen en de zee, op weg naar een schuilhut die hij kent uit zijn kindertijd, en daarna naar de grens. De ontmoeting met een vrouw en haar ezel, ook op de vlucht, bemoeilijkt zijn plannen en stelt hem voor moeilijke keuzes.
De aardse, zintuiglijke stijl contrasteert met de analyserende, ietwat afstandelijke toon van de eerste verhaallijn. Enard vat op die manier zowel de directe, lichamelijke, dagelijkse strijd van mensen in oorlogsgebied als de sluimerende persoonlijke en politieke ramificaties van gewapende conflicten. Dat is een waardig opzet in een tijd waarin beelden en berichten van de oorlog in Oekraïne, de genocide in Palestina, gewapende conflicten in Oost-Congo en elders ter wereld met regelmaat ons dagelijkse leven binnendringen. Toch slaagt Enard er, ondanks zijn virtuositeit en eruditie (of net omwille van?), niet altijd in de lezer mee te slepen, voornamelijk in het complexe verhaal van de wiskundige.
In de hoofdstukken over de deserteur daarentegen toont Enard zich een meester van ritme en beeldspraak. De tekst schippert tussen ‘hij’ en ‘je’ en toont zo een geest verscheurd door trauma, die enkel in de oeroude sensaties van het lichaam (honger en pijn en hun verlichting) tot zichzelf kan komen. ‘Ik’ en ‘mij(n)’ duiken enkel op wanneer de deserteur zich richt tot ‘de Heer’, die hij meermaals om hulp en genade vraagt. Hoofdletters en punten blijven bovendien vaak achterwege, witruimtes duiken op, wat de tekst nu en dan bijna naar poëzie doet neigen. De deserteur probeert de oorlog achter zich te laten, zich te laten meeslepen in de energie en levenskracht van de lente in de natuur om zich heen, maar slaagt niet in zijn opzet. ‘[J]e bent nog altijd een van hen, je hebt nog altijd wapens, munitie, krijgsherinneringen’, spreekt hij zichzelf toe.
[A]fmaken, het is het enige wat je nog kent, je weet helemaal niets af van ezels en dieren, ze hebben de onschuld van hun dierlijkheid, jij niet, je wikkelt je in je bruutheid als in een mantel.
Zintuiglijke gewaarwordingen sleuren hem keer op keer terug de oorlog in. ‘[D]e geur slaat hem weer in het gezicht, de oorlog is terug, bij hem, in hem, overal rondom hem’, er valt niet aan te ontsnappen. Ook de beeldspraak weerspiegelt een geest die zijn houvast kwijt is: de natuur wordt gepersonifieerd, het lichaam beschreven in termen die naar de natuur verwijzen, en dit alles verglijdt onvermijdelijk in oorlogsbeelden. Zo zijn ‘[d]e vingers op de uitgerafelde veters dorre twijgen […] twee tenen, vlees en aarde, dikke, gevlekte wormen die tevoorschijn kruipen uit een donkere stam met knoesten van enkels’. De natuur is een actieve aanwezigheid: ‘de bergen bruisen; een bries rondt de toppen, duikt de smalle, diepe vallei in en suist tussen de struiken; ijzig krijten de sterren.’ ‘[D]e nacht blijft ondanks vurige gebeden een roofdier dat zich voedt met angst, een roofdier waarvan de adem naar bloed ruikt’ en ‘soms komt de slaap onverhoeds, als de kogel van een sluipschutter’.
In die natuur schijnt voor de deserteur de hand van de Heer door (‘alle schepselen bezingen Uw glorie’) maar ze is ook hard en onverbiddelijk. Het razende onweer dat de vrouw en haar trouwe ezel velt, wordt in militaire termen beschreven: ‘een leger van miljoenen ijssoldaten [stampt] op de hellingen’, de hagel ‘klettert’ en ‘klinkt als scherpschutters die op staalplaat trainen, taktaktak’, de blikseminslag is als de ontploffing van een bom, een mijn, een granaat. Jean Giono gemengd met Cormac McCarthy, schreef een Franse criticus. Het is inderdaad een krachtig contrast tussen fijnzinnige, vitale natuurbeschrijvingen en lugubere post-apocalyptische beschrijvingen van een wereld waar het gevaar om elke hoek loert.
Op wat verwijzingen naar zijn kindertijd na weten we weinig over de ex-soldaat. Wat drijft hem? Waarom liet hij het leger achter zich en liep hij over naar ‘het kamp van de overwonnenen, het kamp van de voortdurende voortvluchtigheid’, om ‘een verliezer’ te worden, ‘een van degenen die door de oorlog uit elkaar zijn gevallen, als versleten veters’? Eenmaal slechts ging hij tijdens zijn tijd als soldaat naar de ziekenboeg, herinnert hij zich: ‘je had geen uitwendige wond, maar het was niet niets – een groot, onzichtbaar leed waar je geen uitleg bij gaf’. Een leed dat doorschemert in zijn gedachten en gedragingen.
Het is pas als de jonge vrouw ten tonele verschijnt dat we van buitenaf iets over de man te weten komen. Ze vertrouwt hem voor geen haar en moet haar angst verbijten. ‘[E]r is haar over die man verteld, hij is erger dan een monster’, hij hoort bij ‘de bruten, de beulen, de verkrachters die je met geen mogelijkheid soldaten kon noemen.’ Over de wreedheden en de angsten die zij als vrouw moest doorstaan lezen we wel. Haar overlevingsdrang stuwt haar voort en hoewel haar geweten eerst nog rein is, wordt ook zij uiteindelijk tot geweld uitgedaagd. De ezel toont het onschuldige lijden van de dieren en het geweld dat ze zowel in oorlogs- als in vredestijd te verduren krijgen .
De geschiedenis stroomt gestaag verder, daarvan getuigt de andere verhaallijn. Geweld lijkt ook daar een rode draad, al is het dan minder expliciet en zijn er verder weinig raakvlakken. De droge, observerende toon maakt de passages over de deserteur en de vrouw en haar ezel nog krachtiger en beklemmender. Enard goochelt met wiskundige begrippen en verwijzingen waar hij eerder zijn tekst met plantennamen doorspekte. Irene, Heudebers dochter, is historica van de wiskunde en specialist in het werk van de dertiende-eeuwse Perzische wetenschapper en filosoof Nasir al-Din al-Toesi. Dit gegeven stelt Enard in staat om uit te weiden over de rijke geschiedenis van het Midden-Oosten (hij studeerde zelf Arabisch en Perzisch) en te tonen dat oorlogsgeweld van alle tijden is. Toesi was getuige van de wrede verwoesting van Bagdad in 1258 door een Mongoolse prins, maar vond een uitweg in de driehoeksmeetkunde en astronomie. Paul Heudeber, die zelf het geweld van de twintigste eeuw van dichtbij meemaakte, schreef tijdens zijn gevangenschap in Buchenwald een boek, De vermoedens van de Ettersberg, wiskundige elegieën. Het is een mengeling van wiskundige traktaten en ‘donkere poëzie’, een ‘kruising, op het dieptepunt van de twintigste eeuw, van historische wanhoop en mathematische hoop’. Irina mijmert:
Paul en Toesi hadden misschien gelijk, het was beter te vluchten in werelden van sterren en wiskunde – gesternte, liefde, lichamen, ringen, idealen, het zo diepmenselijke allegaartje dat niet kon instorten omdat het in ons zit, in onze innerlijke beeldenwereld.
De originele Franse titel van de roman luidt Déserter. Katrien Vandenberghe verving die infinitief door Dans van verraad, verwijzend naar een sleutelscène in de roman, waarin Irina een dansend koppel gadeslaat (of droomt?):
Het is een Joegoslavische of Hongaarse dans, de dans van verraad […] een dans van waarheid, van waarzeggerij – dansend ontdek je wat de ander voor je verborgen hield. Er valt niets meer te verbergen, alles komt ten volle aan het licht, alles wordt vergeven zonder dat je iets hoeft op te biechten […].
Beide titels hebben hun merites, al lijkt Dans van verraad vooral op het koppel Paul en Maja en de aangrijpende ontdekking van hun dochter in dat verband betrekking te hebben. Déserter is bondig, direct en tegelijk veelomvattend. Het verwijst zeker niet enkel naar de naamloze deserteur: Paul Heudeber ‘deserteerde’ evenzeer, al is het dan op een figuurlijke, indirecte manier. Hij trok zich terug in de kalme, abstracte schoonheid van de wiskunde en idealiseerde vanop afstand zijn passie voor Maja. Zij verkoos dan weer een politieke carrière in het Westen boven een leven met hem in Oost-Duitsland en was daarvoor tot veel opofferingen bereid, ook ten aanzien van haar dochter.
‘Soms heb ik de indruk dat dit alles op ondoorgrondelijke wijze samenhangt’, schrijft één van de mathematici aan Irina. ‘[D]at we allemaal met elkaar verbonden zijn als een getallenrij, zonder dat we goed begrijpen hoe precies.’ Een boot op een rivier is tegelijk een plek van geluk, verzoening en verraad. Op de Ettersberg verbleven ooit literaire grootheden als Goethe en Schiller, maar vonden iets meer dan een eeuw later ook vele mensen de dood in een concentratiekamp. Is er een uitweg uit de vicieuze cirkel van geweld? Wat offeren we op om ons hachje te redden, wat zetten we op het spel? De vragen die Enard oproept blijven nog lang nazinderen.
Een recensie van Dans van verraad van Mathias Enard door Hannah Cornelus.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.