Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
2598 pagina’s telt Victor Hugo’s Les Misérables (1862) volgens Wikipedia. Eén van die pagina’s wist Olivier Rolin zo te prikkelen dat hij er een heel boek aan wijdde. In zijn postscriptum schrijft hij dat we zijn boek dan ook mogen beschouwen als een ‘voetnoot’ bij de bladzijde van Hugo. De tekst wordt op die manier gepresenteerd als een soort parenthese, een klein verhalend essay dat duiding en context biedt bij de tekstregels van de meester.
Voet- of eindnoten, als tekstueel middel om extra informatie te voorzien zonder de redenering en de flow van de hoofdtekst te onderbreken, waren lang enkel in academische teksten of wetenschappelijke edities van literaire teksten te vinden. Via de romans van (post)modernistische schrijvers vonden ze echter ook hun weg naar de literatuur zelf. Bij David Foster Wallace, in Nabokovs Pale Fire of Mark Z. Danielewski’s House of Leaves – om maar enkele voorbeelden te noemen – overstijgen noten hun traditionele rol als verstrekkers van historische duiding bij een bepaald woord of concept, toelichting bij bepaalde vertaalkeuze of leessuggesties voor de geïnteresseerde lezer. Ze worden de plek waar ironie de plak zwaait, waar nieuwe plotlijnen zich ontvouwen, andere stemmen hun plek opeisen en de beweringen van de hoofdverteller in twijfel getrokken kunnen worden. Soms wordt de traditionele informatieverstrekkende invulling van de noot zelfs tot in het absurde opgeblazen om de lezer met feiten te overrompelen. De droge, academische voet- of eindnoot krijgt zo een radicaal subjectief karakter.
Rolins tekst is niet zo extreem of experimenteel als bovengenoemde voorbeelden, maar toch speelt de auteur evenzeer met de grillige grens tussen fictie en feit, zoals hij dat eerder deed in werken als De weerman (Uitgeverij Ijzer, 2016, ook in vertaling van Katelijne De Vuyst). Cournet en Barthélemy, de twee revolutionairen die kortstondig figureren op de bladzijde van Hugo, vormen de spil van Rolins tekst. Terwijl de twee bij Hugo dus eerder personages zijn, maakt Rolin hen tot historische figuren en bijgevolg volwaardige personen, door hun achtergrond en verhaal grondig na te trekken in archieven, naslagwerken, krantenknipsels en rechtbankverslagen.
Bij het begin van het eerste hoofdstuk van het vijfde deel van zijn breedvoerige roman maakt Victor Hugo kort melding van de ‘twee memorabelste barricaden die een waarnemer van sociale euvels kan vermelden’. Het desbetreffende ‘sociale euvel’ is het junioproer van 1848 – ‘de grootste straatoorlog ooit in de geschiedenis’, volgens Hugo. Rolin daarentegen merkt op dat het misschien wel de ‘de minst bekende, minst gevierde revolutie is van alle opstanden uit de negentiende eeuw’ en vindt het dus de moeite waard om er even bij stil te staan. Al komen we ook in Rolins tekst niet echt veel over de historische gebeurtenis te weten: net als Hugo zelf is hij eerder geboeid door de twee herrieschoppers die de desbetreffende barricaden leidden.
Victor Hugo had de arbeidersopstand van juni 1848, die gewelddadig werd neergeslagen door de politie, het leger en de nationale garde van de Franse Republiek, zelf meegemaakt en toen de kant van de gevestigde orde gekozen. 13 jaar later, in ballingschap op Guernsey, bij het schrijven van één van de vele voor hem typerende uitweidingen, ligt zijn sympathie toch eerder bij de opstandelingen. We zien twee barricaden opdoemen: ‘de Charybdis van de Faubourg Saint-Antoine en de Scylla van de Faubourg du Temple’, in Hugo’s kenmerkende grootspraak. Zowel de barricaden zelf als hun leiders zijn in elk opzicht elkaars tegenpolen. De eerste versperring is een ‘kolossale, ruige barricade, gebouwd met allerlei kriskras gestapelde brokstukken van de stad’ , een ‘woest monument’. Rolin voegt hier een eerste terzijde toe, om kort in te gaan op Hugo’s gebruik van stijlfiguren. Hij gebruikt hiervoor slim de barricade als metafoor:
Hij bedenkt een beeld waarmee velen genoegen zouden nemen […] maar nee, hij heeft nog een beeld nodig, daarna nog een en nog een, hij doet er een schep bovenop, het is nooit genoeg, hij is een gulzige reus. Understatements zijn niet aan hem besteed. Hij hamert, ook hij stapelt een enorme barricade op, van woorden.
Dan, vanuit de stofwolk en het wapengedruis verschijnt op bijna filmische wijze onze eerste protagonist: gewezen marineofficier Frédéric Cournet. In Hugo’s woorden: een man met ‘brede schouders, een rood gezicht, een ijzeren vuist, een dapper hart, een trouwe ziel, een eerlijke, schrikwekkende blik. Onverschrokken, dynamisch, licht ontvlambaar […]’. Deze aanhanger van Ledru-Rollin (een ‘rollinist’ dus, schrijft Rolin) ontving ooit het Legioen van Eer, maar zijn carrière bij de marine was door zijn wispelturige karakter van korte duur.
Rolins kritische geest is echter geprikkeld. ‘Het contrast is te hugoliaans om helemaal waar te zijn, je kunt voelen dat hij de zaken in scène zet’, schrijft hij. Lagen beide barricaden wel waar Hugo ze situeert? Dat lijkt bij confrontatie met bronnen (waaronder de allereerste fotoreportage in een krant ooit, Charles François Thibaults daguerrotypes van enkele barricaden) niet te kloppen. Laat Hugo’s (ooggetuigen)geheugen hem dan in de steek, dertien jaar na datum? Rolin is mild:
met een reus als hij mag je nooit te veel gokken op een zwakte. Waarschijnlijk heeft hij een denkbeeldige, romaneske, hugoliaanse barricade opgericht op basis van verscheidene, wel degelijk reële versperringen die hij met zijn eigen ogen heeft gezien en vaak heeft helpen innemen.
Toch durft Rolin Hugo wel degelijk tegen te spreken, want ook de beschrijvingen van beide revolutionairen worden aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Was Barthélemy echt zo’n slappeling zoals Hugo beweert, een slapjanus die weliswaar ooit een politieman vermoordde nadat die hem om de oren had geslagen? Nam Cournet wel echt deel aan de straatopstanden in 1848?
Zijn opsporingswerk leidt ons door de kronkelende straten van het historische Parijs, langs vroegere dierengevechtsarena’s en helse vuilnisbelten, via het bagno van Brest kort naar Lissabon en terug naar zijn eigen middelbare school, tot we Parijs achter ons laten en naar Londen verkasten. Nu eens avonturenroman met spectaculaire ontsnappingsscènes en een vleugje romantiek, dan weer erudiete toelichting bij bepaalde historische gebeurtenissen, of uiteenzetting over de namen van Parijse straten, dat alles doorspekt met verwijzingen naar passages en personages uit Les Misérables en belangrijke denkers en schrijvers (zowel Marx, Nietzsche, de Toqueville, Dickens, … passeren de revue). Ook Rolin is niet vies van een uitweiding of een zijsprong en dekt zich alvast in met een citaat van Hugo: ‘Zolang het onderwerp niet uit het oog wordt verloren, is er van uitweidingen geen sprake.’ De verhaallijn kronkelt en vertakt, maar Rolins schrijft kordaat en zonder frulletjes. De Vuysts vertaling weet de toon goed te vangen. De tekst blijft boeien, al vraagt ze wel een zekere oplettendheid en achtergrondkennis, want Rolin neemt zijn lezers niet zomaar bij de hand.
Tot de dood erop volgt speelt met verschillende stemmen en perspectieven, en die van de auteur zelf zijn niet weg te denken. Zo wordt hij zelf bijna een personage, de schrijver-onderzoeker in wiens woorden bepaalde idealen en sympathieën doorsijpelen. Het is hierbij niet onbelangrijk om te vermelden dat Rolin zelf ook ooit op de barricaden stond, als sleutelfiguur van het maoïstische la Gauche prolétarienne in de jaren zestig en zeventig. In zijn roman Papieren tijger (in 2004 vertaald naar het Nederlands en verschenen bij Meulenhoff) staat hij stil bij deze bewogen tijd. Dat de twee mannen en hun lot hem niet onverschillig laten is voor een deel ook daaraan te wijten: het zijn bijna een soort archetypes,
die je tijdens grote revolutionaire omwentelingen evenwel altijd tegenkomt […] enerzijds het type dat door sociale kwesties gedwongen wordt de gevestigde orde omver te gooien, op een hartstochtelijke maar tegelijk logische manier […] en anderzijds het type dat door de strijd wordt aangetrokken vanwege de strijd zelf, met de daaruit voortvloeiende zelfverloochening, de gedroomde broederschap, het levensgevaar, de doodsverachting en zelfs het doodsideaal, stuk voor stuk afspiegelingen van de militant en de avonturier.
Hij voegt eraan toe dat hijzelf, net zoals veel van zijn mede-oproerlingen in de jaren zestig, vooral het tweede voorbeeld volgden, ‘zonder het toe te geven en zelfs zonder het te beseffen’. Dat verklaart waarschijnlijk mede waarom het in de eerste plaats – net zoals bij Hugo zelf trouwens – Cournet is die zijn goedkeuring kan wegdragen, ook al was de marineofficier waarschijnlijk ‘een spelverslaafde gokker, een zuipschuit, vechtersbaas en rokkenjager’.
Naarmate het onderzoek vordert, wint echter ook Barthélemy een plek in zijn hart. Dat zoeken, gissen en fluctueren van de vertelstem is essentieel – het sluit in zekere mate aan bij wat we bij het begin van dit stuk over de postmoderne voetnoot schreven. Rolin vestigt er ook expliciet de aandacht op: ‘Ik weet het niet – hoe zou ik? – ik interpreteer, ik fantaseer.’ Soms zijn er nu eenmaal niet genoeg bronnen om alle lacunes in het verhaal op te helderen. Op andere momenten zorgt nieuwe, onverwachte informatie er net voor dat eerdere hypotheses verworpen moeten worden. ‘Ik heb mijn speculaties laten staan waar ze staan […]’, schrijft Rolin, ‘omdat ik het niet erg vind als de zwakheden, de vergissingen, de doodlopende straten in een onderzoek aan het licht komen.’ Die doodlopende straat is een mooie metafoor, want de eerste helft van het boek is in zekere zin ook een wandeling door Parijs, met heimwee naar alles wat verloren is gegaan. Rolin kent de stad op zijn duimpje en heeft de gewoonte op zoek te gaan naar letterkundig significante plekken. Literaire scènes waarin figuren als Jean Valjean opduiken worden als waren het dia’s in een viewfinder over het moderne Parijs geschoven. Van de kronkelende, karakteristieke smalle straatjes van Hugo’s Parijs blijft echter na de ingrepen van baron Haussmann weinig over. ‘De zoektocht naar dergelijke sporen die, samen met de literatuur, de overblijfselen vormen van een verdwenen stad, is een in wezen weemoedige activiteit’, tekent Rolin op. Hij is geen fan van de bedrijvige baron, helemaal in lijn met zijn revolutionair kantje. Met Walter Benjamin merkt hij op dat ‘“het echte streefdoel” van die vernielingsdrang erin bestond de stad te behoeden voor een burgeroorlog – hij [Benjamin] had beter gezegd: haar voor te bereiden, haar te remodelleren met het oog op een toekomstige oorlog’. Smalle steegjes lenen zich tot het oprichten van barricaden, ‘een Parijse specialiteit’, terwijl grote, brede boulevards de doortocht van troepen en artillerie aanzienlijk vergemakkelijken. Londen, waar het tweede deel van het onderzoek zich afspeelt, kent Rolin minder goed: dat blijft de in donkere rook gehulde, roetzwarte stad die we kennen uit Dickens’ romans. Een stad van ballingen ook, waar spanningen tussen Franse heethoofden geregeld tot uitbarsting komen. De confrontatie tussen Barthélemy en Cournet, uitgevochten op Englefield Green, een weiland in de buurt van Windsor Castle, werd in die tijd breed uitgesmeerd in zowel Engelse als Franse media. Het is echter pas later, na een andere mysterieuze misdaad, dat de overlevende duellist eindigt aan de galg.
Met zijn onderzoek beweegt Rolin zich in marges van de ‘Grote’ geschiedenis, in een literaire dialoog met zijn grote meester. De auteur weet ons mee te sleuren in zijn ‘haast entomologische bedwelming die je ondergaat wanneer je het eerste beeld dat je van [de twee revolutionairen] hebt gekregen, honderdmaal, duizendmaal hebt uitvergroot als onder een microscoop’ en alles tot in de kleinste details analyseert. Een voetnoot is het misschien, maar wel eentje die het verdient om gelezen te worden.
We laten Rolin het laatste woord, met een verwijzing naar een andere grootmeester van de Franse literatuur:
Boeken dienen om andere boeken voor te brengen, en het maakt niet uit hoe inferieur en armetierig hun nageslacht mag wezen: de beweging van de verbeelding, van het schrijven, van het lezen, wordt voortgezet, wat het leven zelf is, het ware leven, zoals een ander ooit zei.
Een recensie over Tot de dood erop volgt van Olivier Rolin (vertaald door Katelijne De Vuyst) door Hannah Cornelus.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.