Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
‘Wat betekent dat, rouwdouwers?’, vraagt hoofdpersonage Ada aan haar vader terwijl ze samen aan het werk zijn. ‘“Gewoon, aanpakkers. Mensen die hun eigen boontjes doppen.” Hij kneep met twee vingers in het peesje in mijn schouder terwijl hij opstond. “Zoals jij.”’
Taaie aanhouders
In een kort stuk in De Standaard koos eindredacteur Daphne de Roo onlangs ‘rouwdouwer’ als haar favoriete Nederlandse woord en verdiepte zich in de etymologie. Wat begon als een onomatopee die het geluid van een trommel nabootste (‘row dow dow’) werd in Engeland een woord om naar luidruchtige (vooral kleine) wildebrassen te verwijzen (rowdy-dowdy). Het woord verloor vervolgens zijn speelse rijm en kreeg er een snuifje toxische mannelijkheid voor in de plaats toen het de oceaan overstak naar de Verenigde Staten. Rowdy werd daar gebruikt voor vechtgrage mannen die het graag bont maken. In het Nederlands heeft het woord ‘rouwdouwers’ echter ook een positievere ondertoon: iemand die doordouwt geeft niet op en zet ook bij tegenslag door. Iets als een ruwe doorduwer dus, in het Vlaams. Het is ook de titel van het debuut van de Nederlandse Falun Ellie Koos (1992), dat op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs stond en genomineerd werd voor De Bronzen Uil. Koos studeerde Writing for Performance aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht, schreef en regisseerde een kortfilm en won in 2022 de Joost Zwagerman Essayprijs voor hun essay ‘Bruiklener’, waarin thema’s als sociale mobiliteit, kunstenaarschap en familiebanden al aan bod kwamen.
Net als Édouard Louis of dichter bij huis Nadia de Vries, volgt Koos in Rouwdouwers een personage dat opgroeit in armoede en als jongvolwassene in de wereld van de stedelijke culturele elite terechtkomt. Maar in tegenstelling tot Louis’ jonge homoseksuele hoofdpersonage uit Weg met Eddy Bellegueule (2014), die elke dag opnieuw een gevecht voert met zichzelf om ‘een harde’ te worden en zich te conformeren aan de onwrikbare (mannelijke) verwachtingspatronen, heeft Koos’ hoofdpersonage Ada er veel minder problemen mee om de ‘rouwdouwer’-mentaliteit te internaliseren. Die vormt dan ook de kern van het verhaal dat ze over zichzelf vertelt. ‘Ik kwam geluidloos uit onze moeder gebarsten. […] Het werd mijn ontstaansgeschiedenis: Jankte Niet.’ Haar broertje daarentegen – die misschien ietwat doorzichtig Broos heet – ‘gilde als een biggetje voetje voor voetje door een vleesmolen’. Voor Ada werd daar het lot al bezegeld, hard zou Broos nooit worden.
Het contrast tussen hun gescheiden vader en moeder – hij met ‘een gezicht alsof iemand hem met een schroef in de vuist in een stuk hout had gekerfd’, zij ‘rond en zacht en rozig, als een waterverfvlek per ongeluk op een papier gelekt’ – weerspiegelt zich in het contrast tussen broer en zus. Beide ouders lijken bovendien het kind te verkiezen dat het meeste op hen lijkt. Tegenover Ada is haar moeder hard en afstandelijk, omdat ze haar verantwoordelijk schijnt te houden voor het verlies van haar jeugd als tienermoeder. ‘[H]et was alsof ik iets uit haar had weggeschraapt toen ik ter wereld kwam’, legt Ada uit. Broos, daarentegen, was ‘niet medeplichtig aan die diefstal’, hij was ‘haar prijs, haar troeteldier’. Als kleine broertje wordt hij door zijn moeder verwend en gepamperd, terwijl hun vader hem ‘in de weekenden tevergeefs [probeerde] recht te schoppen’. Voor haar vader hoeft Ada zich daardoor minder te bewijzen: ‘[i]n vergelijking was ik altijd sterker, altijd beter.’
Wanneer de kinderen 7 en 5 jaar oud zijn, komt hun moeder om het leven in een vreselijk verkeersongeluk. Ada heeft zich haar vaders harde mentaliteit eigen gemaakt, en dus lijkt ze in haar relaas te suggereren dat het ongeluk (indirect) aan Broos’ aanhankelijkheid en haar moeders vertroetelingen te wijten is. Haar broertje is die middag op een verjaardagsfeestje. Als de moeder van het schoolvriendje belt om te laten weten dat hij zich heeft bezeerd en opgehaald wil worden, aarzelt hun moeder geen seconde en springt ze op haar fiets waarvan de handremmen net opnieuw zijn aangespannen. Ze ‘trapte zo hard ze kon, zo graag wilde ze bij je komen’, schrijft Ada. De valpartij die de nieuwe remmen veroorzaakten, loopt fataal af. (Dat het vader was die de remmen te hard aanspande, blijft een noodlottig detail.) ‘Jij mankeerde niks, die middag dat we in een noodvaart naar je toe moesten. Onze moeder was dood en jij mankeerde niks. […] Je had niet eens een schaafwond.’ Na haar dood blijft Broos een mollig, zwijgzaam jongetje dat op school gepest wordt. ‘[G]evormd door haar zachte handen’, interpreteert Ada, ‘als een te waterig deeg dat nooit zou gaan rijzen, ook toen ze er allang niet meer was.’
Opvoeden met harde hand
Vanaf dan verhuizen de kinderen permanent naar de krappe stacaravan van hun vader en staat hij alleen in voor hun opvoeding. Financieel is het niet makkelijk, soms is er geen geld om zowel de huur als het voedsel te voorzien en dan spaart hij het eten uit zijn mond. ‘Ons liet hij er nooit onder lijden.’ Hij houdt van zijn kinderen, al blijft die liefde onuitgesproken en is er voor affectie weinig plaats. Zijn opvoedmethodes zijn op zijn zachtst uitgedrukt onorthodox te noemen. Ada en Broos moeten weerbaar zijn, leren hun mannetje te staan in een wrede wereld waar niets vanzelf komt, zeker niet voor ‘hun soort mensen’. Ada heeft die visie al snel overgenomen. ‘[J]e moe[t] het zelf rooien, niemand z[al] je komen verlossen’, verzekert ze haar broer. Zelfs in haar woordkeuze en beeldtaal sijpelt de hardheid door: ‘Je moet toch echt zelf je plek in de wereld uithakken’. Of nog: ‘Janken is een keuze. Zoals alles een keuze is. Als je iets doet, dan heb je zelf het besluit genomen om dat te doen.’
Voor Broos ligt het moeilijker, hij kan zijn verdriet niet wegslikken en vecht niet terug als hij op school gepest wordt. Ada wil Broos wel troosten, maar de ruwheid waarmee ze haar eigen rouw onderdrukt, weerhoudt haar daarvan. ‘Ik sloot me voor je af, voor die ronde wangen en dat kleine neusje. Vertedering en walging zitten dicht bij elkaar, of misschien ben ik het een met het ander gaan associëren.’ Broos is een watje, en voor watjes is in deze wereld geen plaats.
Vroeg in hun kindertijd besluit hun vader dat hij moet weten of de kinderen allergisch zijn voor wespensteken, als ze zo vaak alleen spelen op het campingterrein wanneer hij aan het werk is. ‘Als we allergisch bleken zou ons keelgat dichtslibben, met onze nagels naar onze keel klauwend zouden we sterven op de grond.’ Dat moet dus in zijn bijzijn getest worden. Hij vangt een wesp en laat die zijn kinderen steken; Ada geeft geen krimp. ‘Heel flink was ik. En die woorden waren alles waard.’ Broos probeert uit alle macht te ontsnappen en ze moeten hem samen vastklemmen om de wesp haar gang te laten gaan. Daar blijven ze hem mee uitlachen.
Ik weet niet of het de eerste keer was dat onze vader en ik een eenheid waren, en jij een mikpunt daarbuiten. Ik kan me het kantelpunt niet herinneren maar als je eenmaal ergens mee bent begonnen is het moeilijk om te stoppen, net als met roken of drinken. Het geeft nu eenmaal een goed gevoel.
Hun vader probeert Broos te leren vechten zodat hij zich tegen de pestkoppen zou kunnen verweren, maar veel haalt dat niet uit. Het is een scène die we wel eens eerder lazen of zagen: ‘Je moest zo hard mogelijk tegen zijn buik aan stompen, en je deed je best, ik zag het aan de zweetdruppeltjes op je neus. […] Maar pa zei dat het kietelde.’
Op een bepaalde schooldag is Ada het zat : ‘jouw nerveuze gegiechel alsof je het tij kon keren door net te doen alsof je genoot van wat je werd aangedaan. Alsof je ervoor koos een slachtlam te zijn. Ik werd er kotsmisselijk van.’ Ze slaat de pestkop in elkaar en wordt voor enkele weken van school gestuurd. Het is een erepenning die nog maar eens haar hardheid aantoont. Thuis krijgt ze van haar vader haar eerste pilsje als beloning.
Een andere sleutelscène die tekenend is voor hun vaders tough love en Broos’ gebrek aan weerstand speelt zich af aan de Halfwegse Plas, ‘een klein meertje met een strand, omsingeld door autowegen’. De filmische scène verraadt Koos’ ervaring in de wereld van cinema. Wanneer de kinderen op een hete zomerdag met hun vader gaan zwemmen in het drukke meertje, verdrinkt een jongetje. De volgende dag dwingt hij Ada en Broos terug het water in, ‘terwijl het maandag was en vijf uur ’s ochtends’. ‘Iedere vader zou zijn kind wel onverdrinkbaar willen maken’, merkt Ada op. ‘Dat spreekt voor zich. Er zijn heel weinig vaders die daar ook echt werk van maken.’ Broos is een betere zwemmer, maar na het vele verplichte baantjes trekken zijn beide kinderen bekaf. Desondanks ‘aarzelden [we] geen van beiden toen hij ons gebood om elkaar onder te duwen.’ Nogmaals illustreert de scène de verschillen tussen broer en zus.
Je kan hier natuurlijk van alles van vinden, maar als ik me ooit nog eens in een overvol water bevind en door onverschillige voeten vertrapt dreig te worden, dan zal ik bijten tot ik bloed proef. Ik vraag me af wat jij zou doen, opgeven en wachten tot iemand je uit de diepte komt trekken? Wie dan?
Zoals het een goeie scriptwriter betaamt, voorziet Koos de passage nog van een wrange echo aan het einde van het boek.
Deel van die rouwdouwersmentaliteit is ook Ada’s afwijzing van vrouwelijkheid. We komen vroeg in de roman te weten dat niemand haar eigenlijk ooit Ada noemde: ‘vroeger was ik altijd Adje, en toen ik te ernstig werd voor verkleinwoorden, werd het Ad.’ Als puber lijkt ze in niets op de meisjes uit haar klas. ‘Ze lachten me erom uit maar ik vond dat ik er een stuk normaler uitzag dan zij. […] [ze] paradeerden in het rond alsof ze wilden tonen hoe makkelijk je ze tegen een muur kapot zou kunnen smijten. Alsof dat een bewonderenswaardige eigenschap was.’ Het is enkel de blik van de seksistische buurman op de camping die haar tot ‘meisje’ reduceert. Als ze op haar achttiende uiteindelijk voor het eerst haar regels krijgt, voelt dat als een verraad van haar eigen lichaam. ‘Ik heb een hekel aan dat bloeden. Je bloed is je geheim, het geeft iets weg.’ Haar broertje vormde met zijn atypische mannelijkheid het perfecte tegengewicht: ‘zolang die balans er was zou ik altijd groter, altijd sterker en vast en zeker zonder bloed en borsten zijn gebleven.’
Haar vader belichaamt de toxische (mannelijke) clichés van de arbeidersklasse (racisme, zelfdestructief gedrag, alcoholverslaving) zoals ook Édouard Louis ze beschrijft, maar is zeker meer dan een bordkartonnen karikatuur: Koos verliest nooit hun empathie en legt ook voorzichtig de systemische oorzaken van deze houding bloot.
De kunstschool als een andere planeet
Wanneer haar middelbare school (‘mavo’) afgerond is, werkt Ada enkele jaren in een vleesverwerkingsbedrijf. Op een dag ontmoet ze daar Frédérique, een kunststudente met rijke ouders die in het bedrijf komt werken om inspiratie op te doen voor een kunstproject. Langer dan één dag houdt Frédérique het niet uit, maar ze prikkelt Ada wel en overtuigt haar uiteindelijk om ingangsexamen te doen aan een kunstschool.
Tegen haar eigen verwachtingen in wordt Ada toegelaten. Ze voelt zich een buitenbeentje en doet zo goed mogelijk haar best om op te gaan in haar nieuwe omgeving, maar wanneer ze zich in haar hoofd tot haar broer richt, is ze kritisch.
Ik weet niet zo goed hoe ik aan je uit zou moeten leggen wat de bedoeling is op zo’n kunstopleiding, of met kunst. Iedereen is de godganse dag bezig met wat ze voelen. Ze doen de hele tijd onderzoek naar wat ze ervaren. En dat vertaalt zich dan naar een muur vol uitgesmeerde kauwgom, bijvoorbeeld. Of een replica van hun kinderkamer geheel gemaakt van bolletjes pluis.
Kunst en gevoelens zijn voor haar iets nieuws, iets waar in haar oude leven geen ruimte voor was. Als je gefocust bent op overleven, lijkt kunst een overbodige luxe. In haar relaas voelen we dan ook de spanning tussen de drang om de nieuwe normen en waarden over te nemen en erbij te horen en aan de andere kant de neiging om trouw te blijven aan haar oude, vertrouwde levensbeschouwing. De metafoor van het zwemmen komt ook hier bovendrijven:
Het is een pierenbadje waarin niemand ooit leert zwemmen. Ze leren alleen heel goed lullen over op welke manieren ze allemaal niet kunnen zwemmen. En dat dit de schuld is van het water.
Mensen uit deze sociale klasse hoeven niet te kunnen zwemmen, dat overlevingsinstinct is overbodig wanneer ze alle kansen in hun schoot geworpen krijgen in een wereld die voor hen gebouwd lijkt te zijn.
Houthakken in Galicië
Na een tijdje aan de kunstacademie vlucht Ada weg naar Galicië. Frédérique vertelde haar vol afgrijzen over haar verblijf in de oude kunstenaarscommune op het platteland die bij aankomst slechts ‘een vervallen huis [bleek] met één kettingrokende Spanjaard die alleen zijn eigen taal beheerste’. Zij keerde halsoverkop terug naar Nederland, maar de povere omstandigheden lijken Ada net aan te trekken. De beklemmende woning met zwartgeblakerde muren, aangekoekt vuil en een geur van ‘verschaald bier, tabak en gedroogd vlees’, het isolement, het harde werk, het vettige eten en het roken en drinken voelen herkenbaar en dus vertrouwd aan. Het houthakken, ‘loodzwaar maar helder’, gevolgd door grote hoeveelheden alcohol en een diepe slaap is een ritme dat ze kent.
Een rust die komt met het steeds opnieuw uitvoeren van dezelfde bewegingen. Steeds weer een bevestiging: de komende vijf minuten. Een ingesleten patroon waar je keer op keer doorheen gaat. Steen op steen en de groef wordt steeds dieper. Mijn lichaam weet het nog precies.
Ook hierin lijkt ze op haar vader: ‘Het liefst werkte hij altijd, hij wist hoe dat moest. Dat geeft houvast.’ Molina, de zwijgzame Spanjaard in kwestie, fungeert als een soort dubbel van haar vader die ze al jaren niet meer zag. De plek in Spanje is een microkosmos die Koos parallel plaatst aan de andere gebeurtenissen, zodat analogieën zich aftekenen en Ada’s veranderende gedragspatroon duidelijk wordt. Twee onmisbare nevenpersonages in deze verhaallijn zijn de honden, Bella en Lutien. Molina sluit hen elke avond op, snauwt hen af of bindt hen vast aan een tafelpoot, toont nooit enige affectie, en toch verkiezen ze hem boven Ada, die hier voor het eerst enige tederheid tentoonspreidt. Ook de drie uitgehongerde kittens probeert ze stiekem te beschermen, terwijl Molina vindt dat de dieren zichzelf moeten leren redden. Molina draait uiteindelijk bij als Lutien een ongeluk krijgt door zijn onbuigzame gedrag. Als Bella een puppy ter wereld brengt maar er niet voor lijkt te willen zorgen, nemen ze op zijn initiatief dan ook samen de zorgende rol op zich.
Vastgeroeste visies
Vanuit Galicië richt Ada zich (in gedachten) tot haar broertje van wie ze een beetje is vervreemd, en wij lezen mee. Flashbacks naar haar kindertijd worden afgewisseld met passages die haar dagen in Spanje beschrijven. De grotere structuur van de roman is op zich vrij klassiek: openen met een geboorte, eindigen met een sterfgeval en een sprankeltje hoop in de vorm van een nieuwe geboorte. In de verwevenheid van de twee verhaallijnen schudt Koos echter de chronologie door elkaar, wat goed werkt en de spanning opdrijft. De hoofdstukjes die zich in Galicië afspelen, zorgen tegelijk voor de nodige ademruimte. Koos’ stijl is ongecompliceerd, ietwat onbehouwen, passend bij het hoofdpersonage, maar soms wordt de lezer verrast met frisse beeldspraak die doet glimlachen of opschrikken: Molina ‘klopt op de muur als op de kont van een nerveus paard’, ‘de hemel [werd] beurs en vol als een onderhuidse bloeduitstorting.’ Misschien suggereert dit dat de nuchtere, spartaanse en hardvochtige wereldvisie van haar vader toch nooit echt heeft volstaan, ook al gelooft Ada zelf graag het tegendeel.
Ada’s stem is de enige die we in dit verhaal echt horen, en zoals ondertussen al duidelijk werd, is dat perspectief heel gekleurd. Dat is waar deze roman ook in wezen over gaat, over de verhalen die we onszelf vertellen over de wereld, hoe die werkt en onze plaats daarin, en hoe we daar allemaal een beetje in vastgeroest zitten. Ada houdt van overzicht en duidelijkheid, daarom gaat ze in Galicië zo graag naar de top van de heuvel, ‘waar het terrein overzichtelijk in mijn vuist past’. In een vijandige wereld zorgen haar categorieën en vooringenomenheden toch voor (een schijn van) grip op die wereld. Die botte rechtlijnigheid trekt zich door in het soort kunst dat ze maakt: ruwe gezichten uitgehakt in hout, die de beschrijving van haar vader in het begin van de roman echoën.
‘Wat begon als een houvast om het leven draaglijk en overzichtelijk te houden, wordt een cementblok waar ze in vaststaan’, zei Koos hierover in een interview. Toch is hun roman minder zwartgallig dan hen hier doet uitschijnen: Ada’s oogkleppen vertonen in de loop van het verhaal steeds meer scheurtjes. Zo is er een mooie scène waarin Ada wordt geraakt door een werk van een van haar medestudenten, of een passage waarin de onvermurwbare macho Molina Ada met kinderlijke verwondering en trots een minuscuul paddenstoeltje laat zien, verborgen in een boomstam. Het einde, dat we hier niet uit de doeken zullen doen, zet haar hele wereldbeeld en interpretatie van de gebeurtenissen uit haar kindertijd op losse schroeven. Haar harde pantser blijkt toch tranen door te laten.
In Rouwdouwers vindt Koos zelfzeker het evenwicht tussen gevoeligheid en branie. De roman is een beklijvende bespiegeling op zelfredzaamheid en afhankelijkheid, kunst en sociale klasse, van een interessante nieuwe stem in de Nederlandstalige letteren. Een zwierige en tegelijk berekende uppercut van een boek.
Een recensie over Rouwdouwers van Falun Ellie Koos door Hannah Cornelus in samenwerking met het Algemeen-Nederlands Verbond en het Willemsfonds in het kader van De Bronzen Uil.

Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.