Proza, Recensies

Uit het leven gegrepen

Er stroomt een rivier doorheen

Norman Maclean

Literatuurwetenschap en literatuur lijken twee volstrekt aparte domeinen. Toch zijn er enkele zeldzame figuren die zich succesvol op beide werkvelden hebben gewaagd. Denk bijvoorbeeld aan Umberto Eco of Kristien Hemmerechts.

Een minder bekende maar eveneens succesvolle overloper is Norman Maclean. Hij werd in 1902 geboren in Iowa als de zoon van een geëmigreerde Schotse gereformeerde dominee en een Canadese moeder. Als kind verhuisde hij met zijn ouders naar het platteland van Montana, waar hij tijdens de Eerste Wereldoorlog werkte als houthakker. Maclean studeerde Engels, eerst aan Dartmouth College in New Hampshire en vanaf 1928 aan de universiteit van Chicago. Daar promoveerde hij in 1940 op de studie The Theory of Lyric Poetry from the Renaissance to Coleridge, en bleef hij tot zijn pensionering in 1973 doceren. Maclean gaf er decennialang geliefde colleges over Shakespeare en de romantische dichters, en verwierf meer bekendheid als leraar dan als schrijver – in de dertig jaar na zijn promotie publiceerde hij slechts drie artikelen in wetenschappelijke bloemlezingen.

Daar kwam verandering in toen Maclean, aangemoedigd door zijn kinderen, besloot om op latere leeftijd enkele persoonlijke verhalen op te tekenen. Het resultaat was A River Runs Through It and Other Stories, een verhalenbundel die in 1976 werd gepubliceerd door de wetenschappelijke uitgeverij van zijn voormalige werknemer. Ondanks het gebrek aan commerciële slagkracht en promotie werd het boek een succes en kwam het zelfs in aanmerking voor een Pulitzerprijs. Zo werd de literatuurwetenschapper Norman Maclean op hoge leeftijd toch nog een gevierd schrijver.

 

Kabbelend en meanderend

Afgelopen jaar verscheen deze moderne klassieker voor het eerst in het Nederlands als Er stroomt een rivier doorheen, vertaald door Dirk-Jan Arensman. De bundel bestaat uit twee forse langere verhalen – misschien eerder novelles – van bijna honderdvijftig bladzijdes elk, van elkaar gescheiden door een korter verhaal van zo’n vijfentwintig pagina’s. Alle teksten zijn duidelijk autobiografisch van aard: verteller en hoofdpersonage is steeds Norman Maclean, zoon van een Schotse dominee, poëzieliefhebber en als kind woonachtig in Montana. Ook Macleans ouders, broer en zijn latere vrouw komen onder hun eigen naam in deze verhalen voor. Fictionalisering is natuurlijk niet uitgesloten, maar de schrijver doet in ieder geval weinig moeite om zijn bronnen uit de werkelijkheid te verhullen.

Authenticiteit is dan ook de belangrijkste eigenschap van dit boek. ‘Ja, ik vertel graag verhalen die waar zijn’, zegt het alter ego van de schrijver zelf al ergens halverwege de bundel. Maclean lijkt verslag te doen van gebeurtenissen uit zijn eigen leven, en zijn streven naar waarachtigheid bepaalt zijn vertelstijl. De verhalen zijn namelijk steeds lineair en chronologisch van opbouw: de schrijver begint met een herinnering en blijft vervolgens vertellen totdat de anekdote een natuurlijk einde vindt. Daarom zijn de teksten uit Er stroomt een rivier doorheen ook niet bijzonder dramatisch van aard. Macleans verhalen zijn kabbelend en meanderend, zoals de rivieren van Montana die hij in deze bundel beschrijft, en draaien niet om grote ontwikkelingen, merkwaardige voorvallen of apotheosen. Het gaat hier om de kleine gebeurtenissen en de schoonheid van het leven van alledag.

Zo draait het eerste verhaal om vliegvissen, een variant van het vissen waarbij geen levend aas maar een imitatie of veer wordt gebruikt en die daardoor vooral technische beheersing vereist. Het speelt ergens in de jaren 30, wanneer een volwassen Norman terug is in Montana om samen met zijn broer Paul en zijn vader, voor wie er ‘geen duidelijke scheidslijn tussen religie en vliegvissen’ bestond, in de Big Blackfoot River te gaan vissen. De broers praten wat over hun levens, zwager Neal komt hen vergezellen, Norman heeft beet maar ‘verliest’ de vis weer – zo tuft deze novelle kalm voort. Het laatste verhaal is een verslag van het halfjaar dat Norman in dienst was van de United States Forest Service (USFS), zo’n twintig jaar eerder. Ook daarin beschrijft hij gewoonweg zijn werkzaamheden en enkele interacties met de andere seizoenswerkers, zonder veel dramatische of artistieke pretenties te tonen.

In deze drie verhalen zit echter steeds eenzelfde kern verstopt: een portret van een bijzonder individu. Dat komt het duidelijkst naar voren in het kortere tweede verhaal, dat eveneens in een houthakkerskamp begint. Daar ontmoet Norman een merkwaardig figuur met de naam Jim Grierson. Deze socialistische vrijbuiter gaat conflicten niet uit de weg en vertelt met smaak over zijn vaste zomerbesteding: zijn huis delen met twee prostituees en optreden als hun minnaar en pooier. In het verhaal over de USFS staat boswachter Bill Bell centraal. Deze man beheerst als geen ander de kunst van het knopen leggen en weet bij het bergopwaarts paardrijden op buitengewoon sierlijke wijze zijn evenwicht te behouden. In de ogen van de verteller geven deze gebruiken niet alleen blijk van vakmanschap, maar zijn het ook voorbeelden van ware schoonheid, die hij daarom minutieus beschrijft.

Fascinatie met het uitzonderlijke heeft de overhand in deze twee schetsen. Maar het is juist Macleans gerichtheid op het intieme en persoonlijke dat het openingsverhaal over vliegvissen met afstand het mooiste uit deze bundel maakt. Daarin portretteert de schrijver namelijk zijn broer, een aanmodderende journalist en zeer getalenteerde vliegvisser, die liever de hele dag in de buitenlucht zou doorbrengen. Gaandeweg kom je erachter dat hij een fervent gokker is en dat zijn drankgebruik inmiddels verre van onschuldig is. Bovendien is hij in enkele stevige vechtpartijen beland en maken de overige familieleden zich ernstige zorgen om zijn welzijn. Norman komt dus niet alleen terug voor een onschuldig dagje vissen, maar is ook in Montana om te peilen hoe het nu echt met zijn broer gaat. En hoewel de twee voornamelijk keuvelen over koetjes en kalfjes (en vissen), voel je in alles het gewicht van de onuitgesproken zorgen. Precies die psychologische spanning en de persoonlijke inzet geven ‘Er stroomt een rivier doorheen’ een buitengewone intensiteit.

 

Nabijheid

Maclean weet ook echtheid te suggereren in zijn stijl. Alle drie de verhalen zijn geschreven in een conversationele, zeg gerust praterige verteltrant, inclusief tussenwerpsels als ‘goed’ en ‘luister’. Die schijnbaar onopgesmukte toon schept familiariteit en plaatst je direct in de vergane wereld die hier opgeroepen wordt. Het is toe te schrijven aan het uitmuntende vertaalwerk van Dirk-Jan Arensman dat Macleans geheel eigen schrijfstijl ook in het Nederlands overeind blijft: door bijvoorbeeld Macleans stopwoorden en syntactische herhalingen te handhaven en Amerikaanse plaatsnamen intact te laten weet Arensman de muzikaliteit van dit proza te behouden, terwijl hij ook zorgvuldig de helderheid en toegankelijkheid ervan heeft gewaarborgd.

Op verschillende momenten in dit boek wordt het duidelijk dat Maclean niet alleen vrijuit aan het vertellen is, alsof hij zijn verhalen gewoonweg aan een typist dicteerde, maar dat hij wel degelijk aan het schrijven is. Het sobere proza van deze teksten mondt op gezette tijden namelijk uit in intens, lyrisch proza. Aangewakkerd door natuurbeelden en reflecties op het geheugen en het verstrijken van de tijd schakelt Maclean dan over op bijna transcendent, maar altijd geconcentreerd en afgewogen proza, wat bijvoorbeeld zichtbaar is in de overweldigende slotpassage van het eerste verhaal:

 

Uiteindelijk versmelten alle dingen tot één geheel, en er stroomt een rivier doorheen. Die rivier is uitgeslepen door de grote vloed van de wereld en stroomt over rotsen uit de kelder van de tijd. Op sommige van die rotsen zitten tijdloze regendruppels. Onder die rotsen liggen de woorden, en sommige van die woorden zijn de hunne.

            Ik word achtervolgd door wateren.

 

Onder het oppervlak van deze drie verfijnde, levendige schetsen bevindt zich een voortdurende meditatie op de verloren tijd, het vluchtige leven en de tijdloze literatuur – maar slechts op zorgvuldig gekozen momenten worden deze reflecties door Maclean ook expliciet gemaakt. Dat evenwicht tussen licht en zwaar, anekdote en overweging, kortom de veelomvattendheid van dit ogenschijnlijk zo simpele proza, maakt Er stroomt een rivier doorheen tot een uniek en krachtig literair werk.

Voor de hedendaagse lezer is de tomeloze bewondering die de schrijver voelt voor deze drie mannen, die zich vooral als pooier, vechtersbaas of drankorgel weten te onderscheiden, misschien wat vreemd. Nergens lijkt Maclean, die schrijft vanuit het Chicago van de bewogen jaren 70, het klassieke masculiene gedrag van zijn vooroorlogse helden te bekritiseren of te analyseren. Maar in plaats van dit te beschouwen als potentieel reactionaire nostalgie, zie ik het eerder als een noodzakelijk gevolg van de schrijfhouding die aan Er stroomt een rivier doorheen ten grondslag ligt. Norman Maclean gaat namelijk consequent herinnerend te werk, probeert zich weer in te leven in het individu dat hij ooit was. Al schrijvend bevindt hij zich dus voortdurend in het verleden. In een vreemd land dus, zoals L.P. Hartley ooit schreef, waar men de dingen nog anders doet en ziet.

Recensie: Er stroomt een rivier doorheen van Norman Maclean door Lodewijk Verduin.

Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2019
Vertaald door: Dirk-Jan Arensman
ISBN 9789028292130
335p.

Geplaatst op 10/02/2020

Tags: Er stroomt een rivier doorheen, Norman Maclean

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.