Proza, Recensies

Gedachtekronkels van een kassameisje

Kassa 19

Claire-Louise Bennett

‘Misschien hebben wij geen dagen van onze kindertijd zo volledig beleefd als die waaraan wij voorbij dachten te gaan zonder ze te beleven, maar die wij doorbrachten met een lievelingsboek.’ Met die woorden opent Marcel Proust zijn essay Over het lezen (1905). De Franse auteur schrijft over zijn leesopvattingen en -herinneringen, onder meer die uit zijn kindertijd: de lectuurlocaties, de handeling van het lezen, de volledige overgave aan het leesplezier. De schrijver als lezer. Ik moest geregeld aan Prousts openingspassage denken tijdens mijn lectuur van Kassa 19, de recentste roman van de Britse Claire-Louise Bennett.

Het eerste van de zeven delen waaruit Kassa 19 bestaat, begint met een paginalange ode aan boeken. Niet zomaar een lofzang op het lezen ervan (‘alsof lezen het enige is wat je met een boek kunt doen’), maar op het gevoel dat een boek kan aanwakkeren, op de leeservaring zelf. Bennett schrijft over de tactiele ervaring van pagina’s omslaan, over de snelheid waarmee onze ogen zich van de onderkant van de rechterbladzij naar de bovenkant van de daaropvolgende bladzijde haasten, over hoe we lange zinnen soms in één keer trachten te lezen, zoekend naar het leesteken dat een adempauze toelaat. Op die manier doet ze haar lezers stilstaan bij een activiteit die doorgaans met een grote vanzelfsprekendheid gepaard gaat. Al is ‘stilstaan’ wellicht niet het beste woord; voor vertragen is tijdens de lectuur van Bennetts roman weinig tijd.

Net zoals de overweldigende leeshonger die zowel Proust als de verteller in Kassa 19 in hun kindertijd ervoeren, is het lezen van Bennetts proza een immersieve ervaring. Door het wij-perspectief van de openingspagina’s heeft Bennett de lezer meteen mee. Maar ook wanneer ze verder voortdurend van vertellend voornaamwoord verandert (meestal ‘ik’, vaak ‘wij’, sporadisch ‘zij’ en soms ‘jij’) weet ze de lezer te begeesteren.

 

Je bent wat je leest

 

Met trefzekere verbeelding herbeleeft de naamloze verteller de momenten die haar leven hebben vormgegeven. Het is een leven dat geleefd wordt in, door en naast boeken. Kassa 19 is zowel een coming-of-age-verhaal als künstlerroman over de lees- en levenservaringen van een jonge vrouw uit het zuidwesten van Groot-Brittannië. Volgens sommigen is die vrouw Bennett zelf en valt Kassa 19 bijgevolg onder het alomtegenwoordige genre van de autofictie. Centraal in de roman staan namelijk de overpeinzingen van een ik-figuur die een aantal biografische overeenkomsten vertoont met de auteur: beiden groeiden op in een arbeidersgezin in Wiltshire, beiden studeerden literatuur en drama in Londen, beiden verhuisden vervolgens naar Ierland.

Misschien is die ‘ik’ inderdaad gelijk te schakelen met de auteur, mogelijkerwijs is ze deels op haar gebaseerd, of wie weet is ze compleet verzonnen – het doet er in feite niet veel toe. Van belang is vooral haar rijke innerlijke belevingswereld. Centraal staan de verhalen die de ik-figuur leest, vertelt, zich herinnert en verzint. Het effect dat die verhalen op de lezer hebben, en niet zozeer het genre-etiket dat er al dan niet op gekleefd kan worden. De zeven delen die het boek telt, draaien rond die ik-figuur en haar relatie met de letteren: van schoolmeisje naar kassierster en universiteitsstudente tot jonge vrouw – ze zit met haar gedachten steeds bij de literatuur. Het resultaat is een niet-chronologische wirwar aan verhalen en verzinsels, met in het derde deel een zelfgeschreven verhaal (maar ook in de andere delen komen (verwijzingen naar) die verhalen aan bod).

Kassa 19 is dus een intiem portret van een persoonlijkheid dat tegelijkertijd een ode is aan de taal en aan favoriete auteurs. Terwijl ze anekdotes aanhaalt uit haar jeugdjaren, deelt de verteller haar persoonlijke bibliografie van ontdekte en gelezen teksten. Alleen al door haar literatuurkeuzes (Clarice Lispector, Ann Quin, Annie Ernaux) krijgt de lezer een beter inzicht in haar levenskeuzes. Lezen en leven zijn bijgevolg voortdurend verweven. Zo linkt de ik-figuur wat ze meemaakt aan de namen en titels die tekenend waren in de levensfase waarin die gebeurtenissen plaatsvonden, aan de werken die ze op die momenten (nog niet) las: ‘toen (…) had ik nog geen woord gelezen van Italo Calvino, Jean Rhys, Borges, of Thomas Bernhard, of Clarice Lispector. Ik had Of Mice and Men gelezen, en Lolita, en ‘Kubla Khan’, en Het Achterhuis. Ik had nog niet The Go-Between gelezen of Wuthering Heights of ‘Une saison en enfer’ of Orlando.’ Een gebeurtenis doet haar aan een boek denken, dat boek roept dan weer een herinnering op aan een persoon uit haar verleden. Die zijsporen zijn echter geen onderbrekingen van het narratief; ze vormen de kern van het verhaal. Kassa 19 bestaat zo hoofdzakelijk uit omzwervingen, uit het voortdurend heen-en-weer springen – tussen leven en lezen, tussen werkelijkheid en verbeelding.

 

Ode aan de tomeloze verbeelding

 

Het onrustige innerlijk en onstuimige enthousiasme van Bennetts protagonist resulteren in een gejaagde vertelling. Kassa 19 leest daardoor als een rusteloze maar vloeiende woordenstroom, al mogen we het van Claire-Louise Bennett geen stream of consciousness noemen. In de London Review Bookshop Podcast stelt de auteur dat gedachten niet stromen, maar zich gewoonweg aandienen. Proza is volgens haar nagenoeg altijd de neerslag van ‘thoughts going on’ en ‘a mind in action’. Anderzijds doet het veelgebruikte en overkoepelende literaire label de eigenheid van een individuele auteur mogelijk onrecht aan. Bijzonder en onovertroffen is Bennetts pen ongetwijfeld, net als het fascinerende personage dat ze weet neer te zetten.

Dat haar verteller zelf eveneens het schrijversberoep beoefent – met dank aan de aansporingen van haar leraar Engels die de schrijfkrabbels in haar schoolschrift ontdekte – levert naast de vele leesbeschrijvingen een reeks passages over schrijven op. Over de allereerste woorden die ze op papier zette en het verhaal dat zich daaruit ontrolde, over wat ze op haar achttiende schreef en hoe dat een uiting was ‘van verwarring en wanhoop en verlangen en woede, onstuitbare machten die voortkwamen uit de dissonantie tussen mijn innerlijk leven en de wereld om me heen’. Over hoe ze zich door die gevoelens laat leiden en onophoudelijk wil schrijven, ‘waarbij de woorden uit me storten, de pen nauwelijks in staat is om me bij te houden’. Hoewel deze citaten op de ervaringen van Bennetts verteller slaan, weten ze de schrijfstijl van Kassa 19 exact te vatten: een woordenstorm eerder dan een woordenstroom. Alle gedachten, zonder filter. ‘Ontrollen’, ‘onstuitbaar’, ‘uitstorten’: de termen waarmee de ik-verteller haar schrijfpraktijk omschrijft, wijzen op een manier van schrijven die een exacte weergave is van gedachten in vrije loop, van hersenkronkels en gedachtesprongen – twee begrippen waarvoor Bennett, als ze de Nederlandse taal machtig was, zou kunnen opteren als alternatief voor ‘bewustzijnsstroom’.

Door haar uitbundigheid laat de verteller van Kassa 19 zich af en toe meeslepen in haar gedachtewereld, met als resultaat dat de associaties die ze maakt voor sommige lezers misschien vergezocht of niet altijd even logisch lijken. Toch werkt dat allesbehalve storend, integendeel: het wijst op Bennetts vindingrijkheid, op het belang van de verbeeldingskunst die de Britse auteur en haar verteller uitstekend beheersen. Bovendien kan de geestdriftige vertelling bijna niet anders dan de lezer betrekken. Hoe tomeloos de verteller ook in haar enthousiasme is en hoe vaak ze daardoor ook van haar pad afwijkt, Bennetts beschrijvingen zijn nooit langdradig en wekken zelden de indruk overbodige informatie mee te geven. Zelfs bij de vele opsommingen die Kassa 19 telt, gaat het om benoemen zonder uitvoerig te mijmeren. Net als de winkelbenodigdheden fungeren de literaire titels die ze om de haverklap opsomt als boodschappenlijstjes. Bennett is dus allerminst pedant, want eerder speels. Uiteindelijk is dit alles de uiting van een unieke en creatieve geest, van verbeelding in vrije loop.

 

Geloof jij in boekenkasten?

 

‘Wil je de vogels binnenbrengen?’ Het derde en langste deel van Kassa 19 bevat een verhaal over het doldwaze, bijna barokke personage Tarquinius Superbus, ‘een zeer elegant soort man die in een zeer elegante Europese stad woonde ergens in de voorbije eeuw’. In de hoop om status te verwerven, spendeert Superbus een aanzienlijk deel van zijn geërfde fortuin aan een uitgebreide thuisbibliotheek. De man wordt echter opgelicht; iedere pagina van ieder boek blijkt blanco te zijn – op één bladzijde na. In een van zijn vele boeken staat één zin die alles bevat. In Superbus’ zoektocht naar die ene zin ontbreekt het automatisme waarmee de veellezer boeken doorbladert: ‘De ene na de andere blanco bladzij omslaan blijkt eigenlijk niet zo makkelijk te zijn – eigenlijk is het volkomen bizar’. Het bezitten van boeken maakt je niet meteen een intellectueel. Kennis – met zelfkennis als belangrijkste vorm – volgt uit de eigenlijke lectuur, maar mag niet het streefdoel zijn: ‘We waren literatuurstudenten maar we lazen niet om slim te worden en onze examens met de hoogste cijfers te halen – we lazen om tot leven te komen’ – daarin zit de ware kracht van literatuur.

Het Superbusverhaal is een herwerking van de ‘verscheurde vertelling’ die het schrijvend subject zo’n twintig jaar geleden neerpende. De oorspronkelijke versie werd versnipperd door haar toenmalige partner, want hij ‘vond het leuk dat ik schrijfster was, maar hij vond het helemaal niet leuk dat ik schreef. Schrijven nam me van hem af, naar een plek die hij niet begreep en waar hij niet naartoe kon’. Het narratief over Tarquinius Superbus wordt aangevuld met metacommentaar op aanpassingen en toevoegingen, en afgewisseld met het (levens)verhaal van de ik-figuur. Bijvoorbeeld met haar observaties en interacties in de supermarkt waar ze een bijbaantje heeft als kassierster. Zo omschrijft de ik-verteller hoe een ‘grote Rus met de langste lokken van het zachtste haar’ die nu en dan verschijnt achter de titulaire kassa, haar op een dag zonder uitleg een boek toestopt:

Het boek dat de Rus voor me achtte is van Friedrich Nietzsche en de titel is Jenseits von Gut und Böse en ik ben jenseits van een zenuwinzinking want het is afgrijselijk duidelijk wat de reden is waarom de Rus dit boek geschikt voor me achtte, want hoewel ik telkens opnieuw zijn potjes groente in het zuur en blikjes omega 3-rijke vis over de scanner rolde expres zonder meer te zeggen dan het verschuldigde bedrag bracht de tijdelijke aanwezigheid van de Rus toch een klein maar verreikend facet van mijn aard aan het wankelen en dat heeft me verraden, heeft een greintje van mijn verborgen diepere wezen onthuld, want hier is het bewijs, vlak naast me, dat de Rus door mijn onstuimige maar onaangetaste vlees heen heeft gezien. Tot recht in de versnellende omwentelingen van mijn hoogst afwijkende waanvoorstellingen.

Het stuk illustreert de speelsheid die tekenend is voor Bennetts proza: interpunctie lijkt in een opwelling benut, zinnen kunnen nooit te lang zijn, bijzinnen stapelen zich op. Daarnaast bevat Kassa 19 veelvoudig herhalingen, zowel van formuleringen als gebeurtenissen. Zo wordt ook de ontmoeting met de Rus verderop in de roman hernomen. Die passage verduidelijkt het bovenstaande fragment, en is opnieuw een uiting van het ongeremde brein:

het boek was geschreven door Friedrich Nietzsche en het heette Jenseits von Gut und Böse en op het omslag stond een schilderij van een vrouw met grote blote borsten en haar handen liggen voor haar, want ze is een sfinx, een sfinx zoals uitgebeeld door Franz von Stuck in 1895, en het was grappig, zoals haar handen daar lagen, precies zoals mijn handen boven op het donkerbruine deksel van de kassa lagen wanneer er niemand was en ik niets te doen had, dus ook al leken mijn kleine borsten helemaal niet op haar grote borsten, mijn handen waren net zoals de hare, precies zoals de hare, en ik moest wel geloven dat de Rus dat ook vond.

 

Verbeelding en mijmeringen lopen als een rode draad door Kassa 19. Naast vormelijke speelsheid bevat de roman voortreffelijke beeldspraak en reflecties. Mappen in het kantoor ruiken naar ‘het interieur van de zelden gebruikte groene Rover van mijn grootouders’, een huisnummer dat ‘als een lint op een zuil was geschilderd, alsof het echt een lint was dat zo weg kon waaien in de volgende bries’, een bloederig wc-papiertje is ‘de volmaaktste tint rood’ die de perfecte lippenstiftkleur zou zijn.

 

Wegvluchten en thuiskomen

 

Dat laatste voorbeeld wijst op een andere terugkerende thematiek in Kassa 19: vrouwelijkheid. Bennetts verteller schrijft openlijk over menstrueren en masturberen, en refereert aan The Female Malady (1985, Elaine Showalter) en de psychiatrische geschiedenis van vrouwen uit haar familie. De stem in haar hoofd spoort haar aan niet van streek te raken nadat haar vriend haar verkracht, en doet haar de ernst van die ervaring betwijfelen. Ze datet mannen die het niet fijn vinden dat ze schrijft, die haar leesvoorkeuren in vraag stellen en haar erop wijzen dat poëzie gevaarlijk is voor vrouwen. Desondanks weet ze gelukkig haar eigen lees- en levensbeslissingen te nemen.

Hoewel we literatuur volgens Kassa 19 moeten beschouwen als een leidraad voor, veeleer dan een afleiding van de werkelijkheid, kunnen de letteren zowel een uitweg als een thuisplek zijn (het ene hoeft het andere niet noodzakelijk uit te sluiten). Naarmate ze volwassener wordt, ziet de verteller haar verbeelding steeds meer als iets geheims en privés. Terwijl ze zich in het echte leven soms een buitenstaander voelt omdat haar ideeën vaak botsen met die van haar omgeving, laat de literatuur haar toe haar eigen losbandige zelf te zijn. Het is een plaats waar verbeelding gevierd en creatieve vindingrijkheid omarmd wordt. Een plaats waar je mag overpeinzen en speculeren en herkauwen en fantaseren. Dat werkt bevrijdend, zowel al schrijvend als al lezend.

Met Kassa 19 schreef Claire-Louise Bennett een indrukwekkend werk dat bij de lezer nog lang zal nagalmen. Deels door de originele en stoutmoedige pen van de Britse auteur, deels omdat het aanzet tot reflectie op eigen ervaringen en herinneringen, alsook op de kracht van verhalen. Wat Bennett schrijft over A Room with a View (1908, E. M. Forster) geldt evenzeer voor haar eigen roman: ‘wat was het een prachtig, weergaloos soort vervoering geweest’.

 

Recensie: Kassa 19 van Claire-Louise Bennett door Lindsay Moerman

Koppernik
Vertaald door: (vert. Karina van Santen en Martine Vosmaer)

Geplaatst op 27/10/2022

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.