Proza, Recensies

Geld is alles

Het glazen hotel

Emily St. John Mandel

Geld is niks. Het zit niet meer in je hand maar in de cloud, niet meer onder je matras maar op een scherm. Geld is een getal en hoe meer cijfers dat getal heeft, hoe beter. Geld is je highscore. Geld maakt, als je er een beetje slim mee omgaat, meer van zichzelf. Het vermeerdert zich als een virus, een pandemie. Geld is een eigen land, een koninkrijk met zijn eigen regels. ‘Dat is wat geld je geeft: de mogelijkheid om niet langer aan geld te hoeven denken,’ zegt Vincent in Het glazen hotel (2020), maar het had van eender welk personage kunnen komen. Echt geld is de afwezigheid van geld. Geld is niks. Geld is alles.

 

Fiascoliteratuur

 

Het glazen hotel is de vijfde roman van de Canadese schrijver Emily St. John Mandel en is ook haar eerste nieuwe fictiewerk sinds ze met Station elf de Arhur C. Clarke prijs won in 2015. Station elf gaat over een griepvirus dat de mensheid bijna volledig van de kaart veegt. Het boek stond dan ook op heel wat coronaleeslijstjes. De kans is groot dat wie Het glazen hotel leest, ook Station elf heeft gelezen en zich afvraagt hoe de twee romans zich tot elkaar verhouden.

 

Het nieuwe boek van Mandel is geen science fiction, maar komt duidelijk uit hetzelfde nest. Verhalen lopen langs elkaar heen, raken elkaar soms aan, maar meestal net niet. Perspectief- en tijdssprongen zorgen voor desoriëntatie. Personages bewegen zich eenzaam en contemplatief door een wereld van status en luxe. In het centrum van de beide verhalen bevindt zich een ramp die de personages als een draaikolk met zich meesleurt. In Station elf was die draaikolk profetisch, want geschreven toen een pandemie nog iets voor het rekje genreliteratuur was. In Het glazen hotel is de ramp historisch: de financiële crisis van 2008. Banken en landen gingen failliet, pensioenspaarpotten verdampten, mensen konden hun hypotheken niet meer betalen, het koninkrijk van het geld daverde op zijn grondvesten.

 

Ponzifraude

 

Het is 2005, jaren voordat iemand de barsten in het systeem ziet verschijnen. Jonathan Alkaitis runt een beleggingsfirma ‘die je het gevoel geeft te zijn toegelaten tot een geheime club’. Een telefoontje krijgen van Alkaitis met de uitnodiging om bij hem te investeren, slaat niemand af: zijn fonds heeft een vaste jaarlijkse opbrengst waar de meeste beleggers niet van durven dromen, en het fonds houdt die opbrengst al decennialang aan. Dat er iets niet in de haak is, hebben een aantal investeerders al vanaf het begin af aan door, maar winsten worden steeds netjes uitbetaald. Zolang ze er rijk van worden, klaagt niemand.

 

In werkelijkheid belegt Alkaitis het geld van zijn klanten helemaal niet: hij zet het op een bankrekening, leeft er zelf riant van, en gebruikt het geld van nieuwe klanten om winsten uit te keren aan eerdere investeerders. Dat werkt alleen maar zolang er meer nieuw kapitaal binnenkomt dan er oud kapitaal vertrekt. Wanneer de financiële crisis van 2008 toeslaat, wil iedereen zijn fondsen liquideren, en heeft Alkaitis geen geld meer om de schijn hoog te houden. Duizenden investeerders zien hun spaarpot in rook opgaan.

 

De praktijken van Jonathan Alkaitis in Het glazen hotel zijn gebaseerd op de die van Bernie Madoff, die zijn investeerders oplichtte voor 65 miljard dollar, de grootste ponzifraude ooit. Zijn methode was nagenoeg identiek aan die van Alkaitis. Rondom de draaikolk van Alkaitis’ ponzifraude drijft een dertigtal personages die soms nauwelijks, soms intiem met elkaar verbonden zijn: Alkaitis’ jonge vrouw Vincent, die in stilte de wereld filmt, haar broer Paul die componist wil worden, een kritische blogster die Jonathans fraude onderzoekt, en het personeel en de gasten van het exclusieve glazen hotel in de Canadese wildernis waarvan Alkaitis de eigenaar is. In dat hotel, waar de fraudeur nieuwe slachtoffers voor zijn beleggingsfonds strikt, verschijnt op een dag een persoonlijke boodschap voor hem op de muur: ‘Slik glas en stik erin.’ Een letterlijk teken aan de wand.

 

Het gespleten koninkrijk van het geld

 

In de wereld van Het glazen hotel verleent geld identiteit. Mensen identificeren zich met de waarde van hun investeringen, hun baan, de buurt waarin hun huis staat, de aan- of afwezigheid van een overloopzwembad. Misschien spiegelt Mandel ons met die wereld een alternatieve dystopie voor, die in contrast staat met de postapocalyptiek van Station elf, of misschien is het gewoon de Verenigde Staten, voor 2008. De inwoners van die dystopie, inclusief Alkaitis, leven in het ‘koninkrijk van het geld’, een term die Mandel gebruikt om aan te geven dat rijkdom zijn eigen wetten heeft, zijn eigen gewoontes en eigen verwachtingen.

 

Wanneer het koninkrijk instort, worden Alkaitis en zijn slachtoffers plots wakker in een ander Amerika, een schaduwland van gedupeerden en verliezers. ‘Hij kon zonder zijn pensioenspaarpotje doorgaan met leven. In dit land sterft niemand daadwerkelijk van honger. Het is alleen maar de ene toekomst die wegglipt en vervangen wordt door een andere.’ Mandel diagnosticeert de Verenigde Staten als een gespleten land: het koninkrijk en het schaduwland bestaan naast elkaar, maar tegelijkertijd sluiten ze elkaar uit. Je hebt een luxevilla met zwembad en personeel, of een camper en food stamps. Daartussenin is er niets meer.

 

Zelf noemt Mandel Het glazen hotel een spookverhaal. Inderdaad verschijnen de doden als zwijgende schimmen aan de personages die iets op hun kerfstok hebben – en dat zijn er nogal wat – als een blijvende herinnering aan hun schuld. Verder doen ze niet veel, die spoken, zowel thematisch als inhoudelijk. In het koninkrijk van het geld is het aanduiden van de schuldige en het bepalen van de juiste straf soms een schimmige zaak, maar ook personages die niets met de ponzifraude van Alkaitis te maken hebben, zien ze vliegen. Het is onduidelijk wat de spoken bijdragen aan een verhaal dat al meer dan genoeg thema’s, verhaallijnen en personages heeft.

 

Contralevens, contraromans

 

Het glazen hotel toont veel gelijkenissen met Station elf, Mandels vorige roman, en het succes van dat laatste boek is waarschijnlijk de reden waarom veel lezers Het glazen hotel zullen oppikken. In de beide romans wordt een netwerk van personages uitgespreid en wordt de authentiekste draad van dat web vertegenwoordigd door een jonge trofeevrouw met een kunstzinnig project waarmee ze niet van plan is naar buiten te treden: het tekenen van strips in Station elf, het filmen van video’s van exact vijf minuten in Het glazen hotel. In de beide boeken komt het project in onverwachte handen terecht en mijmeren personages over de levens die ze zouden kunnen hebben zonder de ramp (de pandemie/de ponzifraude). Beide trofeevrouwen belanden na hun verblijf in het koninkrijk van het geld trouwens in de scheepvaartindustrie.

 

Soms krijg je het gevoel dat Mandel gewoon het succes van haar vorige roman probeert over te doen, maar misschien (hopelijk?) is er meer aan de hand: de twee boeken raken elkaar namelijk ook aan, op dezelfde manier als de verhaallijnen binnen de boeken dat doen. Wanneer de personages in Het glazen hotel dagdromen over de levens die ze hadden kunnen leven (hun ‘contralevens’), dan is er voor de opmerkzame lezer een heel bijzonder contraleven bij:

 

…dat ze zich bijvoorbeeld een alternatieve werkelijkheid voorstelde waarin er geen oorlog in Irak was of waarin de angstaanjagende nieuwe varkensgriep in Georgië niet snel de kop ingedrukt was, een alternatieve wereld waarin de Georgische griep rap escaleerde in een niet te stuiten pandemie en de beschaving instortte.

 

Gewoon een knipoog voor wie Station elf heeft gelezen misschien, of een suggestie dat de twee romans van Mandel met elkaar verbonden zijn als een soort van contraromans? De personages van Het glazen hotel zijn zich van de wereld in Mandels vorige roman bewust, al is het maar in hun dagdromen.

 

Waar het in Station elf niet altijd lukte om alle losse eindjes vast te knopen, lukt dat in Het glazen hotel wel. Misschien is dat gewoon omdat je bij een echte sciencefictionroman geconditioneerd bent om een soort grootse ontknoping te verwachten die de toekomstwereld duidt, een bebaarde architect in een draaistoel die je komt uitleggen wat alles betekende, zoals in The Matrix (1999). Zo’n uitleg kwam er in Station elf niet, en in Het glazen hotel evenmin, maar bij die laatste valt dat prima te verteren. We hoeven geen nette ontknoping voor een verhaal dat zich in het heden ontvouwt: de gevolgen van de financiële crisis zijn nog steeds voelbaar. Het koninkrijk van het geld is weliswaar in spoedtempo heropgebouwd, maar we zijn ons hopelijk nog lang bewust van de barsten.

 

Wie weet blijkt Het glazen hotel over een paar jaar – wanneer het koninkrijk van het geld opnieuw is ingestort dankzij wat nu al de coronarecessie genoemd wordt – dan wel net zo profetisch als zijn voorganger en prijkt Mandel opnieuw bovenaan de fiasco-leeslijstjes. In dat geval stel ik voor dat we een onderzoek naar de schrijfster instellen, want hier is iets niet in de haak.

 

Recensie: Het glazen hotel van Emily St. John Mandel door Pieter van de Walle

Atlas Contact, 2020

Geplaatst op 17/09/2020

Tags: Emily St. John Mandel, Fiascoliteratuur, Financiële crisis, geld, Het glazen hotel, Pieter van de Walle, Ponzifraude, Station elf, The Matrix

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.