Proza, Recensies

Het haperen als roman

Station Osnabrück naar Jeruzalem

Hélène Cixous

Ik ben nooit geboren, ik heb nooit geleefd: maar ik herinner me, en de herinnering is een open wond.

Clarice Lispector

 

Het siert uitgevers wanneer ze de tijdgeest even links laten liggen. Een pluim dus voor uitgeverij Octavo die dit jaar een vertaling van Hélène Cixous’ Gare d’Osnabrück à Jérusalem (2016) uitbracht. Van een Holocaust-roman – en dit is Cixous’ boek ten volle – mag je vandaag de dag verwachten dat hij je zodanig in het verhaal meeneemt dat het al snel voelt alsof je de onvoorstelbare horror zelf aan den lijve ondervindt. Zo’n boek hoort het ‘nooit meer’ dat uit onze collectieve herinnering aan de Shoah schreeuwt, nog eens extra, en nu rechtstreeks, in ons brein te planten.

Niets van dit alles bij Cixous. Haar ‘roman’ zet het hele literaire arsenaal in om je als lezer juist niet het verhaal ‘in te zuigen’. De ‘horror’ is evenmin als het ‘nooit meer’ ooit afwezig, maar ze komen nooit op het voorplan. Vandaar dat zich hier rond het woord ‘roman’ inderdaad haakjes opdringen. Niet dat Cixous’ boek dat niet zou zijn, integendeel, maar na de lectuur ervan is het niet onmogelijk dat je je definitie van wat een ‘roman’ of ‘literatuur’ in het algemeen is, toch wat gaat bijstellen.

 

Hélene, Ève en Omi

Maar vooreerst: wie is Hélène Cixous? Noem haar gerust een grote naam uit de Franse literaire en academische wereld van de tweede helft van de twintigste eeuw. Ze staat aan de wieg van de academische feminisme-studies in Frankrijk, maakt als literair auteur al vroeg ophef met haar ‘écriture féminine’, geeft met haar toneelstukken ‘body and soul’ aan het Parijse Théâtre du Soleil, en is tot op vandaag – ze is inmiddels vierentachtig – niet opgehouden met schrijven en publiceren.

En waarover gaat Station Osnabrück naar Jeruzalem? Over zaken waar zovele ‘klassieke’ Auschwitz-boeken over gaan. Cixous’ familie langs moederszijde (en met uitbreiding het hele sociale milieu waaruit ze afkomstig is) is tijdens de oorlog zo goed als integraal uitgemoord door de nazi’s. Zij niet, uiteraard, maar niet omdat zij een ‘overlevende’ is. Al in 1929 was de vrouw die haar moeder zou worden, Eva Klein, een Asjkenazische Joodse uit Osnabrück, geëmigreerd naar Oran in Algerije, waar ze huwt met de Sefardische Jood Georges Cixous. De moeder van haar moeder, weduwe Rosalie Klein-Jonas, is haar dochter pas eind 1938, na de Kristallnacht, achternagegaan.

Samen met Hélène zelf, zijn die twee vrouwen, haar moeder en haar grootmoeder – in de roman ‘Ève’ en ‘Omi’ – de protagonisten in Cixous’ roman. Voor de ik-figuur vormen zij de toegang tot de familiale Holocaust-catastrofe. De roman verhaalt, hertaalt en herhaalt de ‘ontelbare korte vertellingen’ van Ève (of ‘maman’), en op hun beurt verhalen, hertalen en herhalen die ‘vertellingen’ flarden die Ève dan weer heeft gehoord van háár moeder, van Omi.

Al die ‘vertellingen’ gaan over het dagelijkse leven in het Noord-Duitse Osnabrück in de jaren twintig en dertig en, puttend uit de verhalen die Ève en Omi in het verre Oran ter ore kwamen, ook in de vroege jaren veertig. En dus ook over hoe een stad van vijfennegentigduizend Duitsers vakkundig de luttele paar honderd Joodse, maar even Duitse stadsgenoten eerst steeds tergender het leven zuur maakten om ze vervolgens allen de trein richting Auschwitz in te duwen.

Dat materiaal leent zich uitstekend voor een spannende verhaallijn. En alle elementen daarvoor zijn ook in de roman terug te vinden, bovendien gekaderd in een actualiserende context. In 1985 vatte Osnabrück het plan op om zich te profileren als ‘stad van de vrede’ – inhakend op het feit dat in die stad in 1648 de Vrede van Westfalen werd onderhandeld en getekend. Osnabrück had dat jaar het initiatief genomen om de overlevenden en verwanten van de uitgeroeide Joodse Osnabrückers naar hun stad uit te nodigen. Hélènes moeder is toen gegaan. Samen met haar zus Éri, maar zonder Hélène.

 

Station Osnabrück …

Sindsdien is Ève niet opgehouden haar dochter aan te sporen die reis samen met haar nog eens te maken – aansporingen die even ‘ontelbaar’ bleken als de ‘korte vertellingen’ waarmee ze gepaard gingen. Pas in 2015, twee jaar na de dood van haar moeder (ze werd honderddrie), reist Hélène naar Osnabrück. Het boek uit 2016 dat nu in het Nederlands is vertaald, is de literaire neerslag van die reis, de neerslag van haar zoektocht naar wat rest van waar de oeverloze ‘vertellingen’ van haar moeder en grootmoeder het over hadden. Vaak tot in detail worden we als lezer binnengeleid in de concrete levens van Joodse Osnabrückers van eind jaren dertig en begin jaren veertig. Alledaagse, maar spannende levens, al was het maar omdat ze alle tragisch, fataal aflopen.

Maar, zoals gezegd, al dat spannends wordt bij Cixous niet omgezet in een meeslepende verhaallijn. Integendeel. Haar roman blijft laveren middenin verbrokkelde vertellingen, narratieve flarden die zelden naadloos in elkaar inhaken, maar veel vaker elkaar tegenspreken en over elkaar heen struikelen, tastend naar iets – een waarheid? – dat hen blijft ontsnappen. Vandaar het ‘haperende’ karakter van de roman (visueel extra ondersteund door zeven onhandig neergekrabbelde ‘woordtekeningen’ waarmee Pierre Alechinsky de roman heeft ‘geïllustreerd’). Het ‘haperen’ werpt de lezer telkens weer op zichzelf terug. Die moet zich de voorafgaande flarden van het onaffe verhaal steeds weer opnieuw actief voor de geest halen om in staat te zijn de voorliggende flard te kunnen plaatsen.

Alleen al de titel doet je struikelen: Station Osnabrück naar Jeruzalem. Het beginwoordje ‘Van …’ lijkt te ontbreken. Nochtans is de ook ‘struikelende’ Franse titel correct vertaald: Gare d’Osnabrück à Jérusalem. Hier doet het woordje ‘à’ je lectuur haperen omdat het in die context zowel ‘naar’ als ‘te’ of ‘in’ kan betekenen. Maar hoe je het ook leest, het blijft enigmatisch. Lees je het als ‘naar’, dan ontbreekt, zoals in het Nederlands, de ‘van’. En de titel lezen als ‘Het station van Osnabrück te Jeruzalem’ is niet minder ongerijmd.

Waar staat ‘Osnabrück’ voor? In elk geval voor de jeugdherinnering van Cixous’ moeder. En ‘naar Osnabrück reizen’ is naar dit verleden reizen: meereizen met Èves herinneringen aan het zoet en het bitter dat zij als jonge Joodse Duitse toen heeft meegemaakt. Maar belangrijker nog is dat het ook en vooral een meereizen betreft met de herinnering die Ève vanaf 1929, toen ze in het verre en veilige Algerijnse Oran woonde, koesterde aan al haar bekenden en geliefden die ze in Osnabrück had achtergelaten. Door de ‘reis naar Osnabrück’ waar haar moeder op aandringt, probeert Hélène te vatten hoe haar moeder dacht aan haar mensen uit Osnabrück, en dit in de jaren dat het duidelijk begon te worden dat die Osnabrückers op het punt stonden door de Shoah letterlijk in herinneringen te veranderen. Hoe herinnerde Ève zich in Oran de herinneringen aan haar familie en kennissen in Osnabrück in de jaren dat ze meer en meer ging beseffen dat ze ten dode waren opgeschreven?

 

… te Jeruzalem

In het licht van die Osnabrückse naziterreur wordt ook het ‘Jeruzalem’ van de titel duidelijk. Amper een paar pagina’s na de titel lezen we:

 

Het kan je alleen lukken in Osnabrück te arriveren via de weg van de hallucinatie dat je in Jeruzalem aankomt, het is hetzelfde en vice versa.

Het is onmogelijk om er zonder de hulp van fantasma’s heen te gaan, dat is natuurlijk een fantastische [fantasque] hulp, dus niet zonder hulp van de literatuur, van haar talrijke ontembare paarden en haar boten bezield van begeerte en beven.

 

‘Osnabrück bereiken’ is de herinnering bereiken die Hélènes moeder koesterde toen ze, in Oran en later in Parijs, dacht aan de stad van haar moeder in de jaren dat de levens van haar verwanten en kennissen onder de nazihamer werden verbrijzeld. Die herinnering heeft haar moeder haar hele leven gekoesterd met ‘vertellingen’ die nooit arriveerden bij het ‘Osnabrück’ van haar herinneringen.

De naam van die ‘stad van de vrede’ staat dan ook tegelijk voor de onmogelijkheid om in onze herinnering de gruwel van de Shoah recht te doen. Ze is in alle opzichten het onvoorstelbare. En dit heeft ze gemeen met die andere ‘stad van de vrede’, ‘Jeruzalem’, het integraal positieve beeld van de messiaanse toestand waar elk spoor van gruwel voorgoed verdwenen is.

Beide, het radicaalste kwaad en het hoogste goede, zijn onvoorstelbaar en moeten niettemin – in de herinnering of anderszins – worden voorgesteld. Ziehier het tragische karakter van de herinnering die het niet kan stellen zonder ‘de hulp van fantasma’s’, van ‘literatuur [en] haar talrijke ontembare paarden en haar boten bezield van begeerte en beven’. Tussen ons en het radicaalste kwaad, maar ook tussen ons en het hoogste goede staan fantasma’s, verbeelding, literatuur. En daarin baadt de herinnering aan de Shoah, een herinnering die ook tegelijk een dam vormt tegen wat ze zich wil herinneren.

Wat we hier in theoretisch opzicht aantreffen, kun je het ‘primaat van de herinnering’ noemen. Tussen ons en de werkelijkheid staat altijd al de herinnering. In oorsprong zijn we nooit rechtstreeks bij de werkelijkheid geweest. Onze herinnering hunkert naar een oorspronkelijke aanwezigheid, maar die is fictie. De oorsprong is een constructie van de herinnering.

Hélène, de ik-figuur in Cixous’ roman, wil naar dit ‘primaat van de herinnering’ terug. Ze wil toegang tot de herinnering van haar moeder, een herinnering die principieel faalde – want bleef steken in haar ‘vertellingen’ als in evenzovele ‘stations’ op weg naar waar ze met die herinnering wilde arriveren. Cixous beschrijft de hele roman lang het productieve falen van haar moeders herinnering en van haar eigen herinnering aan die herinnering.

 

Vertaling, hertaling en herhaling

Alles in Cixous’ roman is vertaling, hertaling en herhaling. Je leest er hoe Ève het Osnabrück van haar jeugd vertaalt/hertaalt/herhaalt in het Osnabrück dat ze zich herinnert wanneer ze zich in Oran heeft gevestigd. Je leest er hoe Hélène op haar beurt dát Osnabrück vertaalt/hertaalt/herhaalt in het Osnabrück dat ze voor zichzelf opmaakt uit haar moeders verhalen, het Osnabrück waarvoor je eerst langs ‘Jeruzalem’ en andere ficties moet om er te kunnen geraken. En ook het ideaalbeeld waar ‘Jeruzalem’ voor staat, is de vertaling/hertaling/herhaling van ‘Osnabrück’ als ‘station’ op de spoorlijn naar Auschwitz. Evenzo zijn de tekeningen waarmee Pierre Alechinsky het boek illustreert, vertalingen/hertalingen/vertalingen, en wel van woorden: het zijn – letterlijk en grafisch – tot tekeningen ‘vertaalde’ woorden.

En last but not least, het boek op zich vertaalt/hertaalt/herhaalt Osnabrück, een boek dat Cixous in 1999 publiceerde. En dat geldt mutatis mutandis ook voor alle van de inmiddels zeven boeken met Osnabrückse verhalen en legenden die Cixous heeft gepubliceerd en waarvan Ruines bien rangées (2020) het jongste is.

Het primaat van de herhaling, het primaat van de herinnering, de idee dat herhaling en herinnering voorafgaan aan waar de herhaling en herinnering het over hebben: het is een centrale idee in wat men de pensée de la différence is gaan noemen, de denkrichting die in de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw vanuit Parijs het intellectuele wereldtoneel veroverde. De Franse filosoof Jacques Derrida is een van de bekende exponenten van dit denken. Hélène Cixous ontmoet hem in de vroege jaren zeventig en houdt er een levenslange, ook intellectuele vriendschap aan over. Geen wonder dat Derrida’s stem – samen met die van heel wat andere exponenten van deze pensée de le différence – altijd ergens op de achtergrond van Cixous’ denken en literaire creaties voelbaar is.

 

Differentie

Wanneer ik aan het begin van deze recensie suggereerde dat Cixous’ roman onze tijdgeest tart, doelde ik op zijn inbedding in het differentiedenken van de jaren zestig en zeventig. De stemmen die onze tijdgeest het felst uitschreeuwen, zowel links als rechts, schuiven steevast op de een of andere manier ‘identiteit’ naar voren. Vandaag is het bon ton om op zoek te zijn naar de eigen identiteit en te eisen dat anderen je daarin respecteren.

Het denken waar Cixous uit put, plaatst niet identiteit maar differentie en andersheid in het centrum wanneer het over mens en cultuur nadenkt. De mens mag het dan over ‘zichzelf’ hebben en zich een ‘ondeelbaar’ individu weten (want dat is wat ‘individu’ betekent), fundamenteel valt hij nooit samen met zichzelf. Tussen de mens en zichzelf gaapt een kloof, en het is daarom dat een hij eventueel een zij kan zijn of iets daartussenin: niet omdat hij/zij/hen dat in de volheid van het woord is, maar juist omdat hij/zij/hen dat niet is, omdat identiteit zich afspeelt in de afstand, de differentie tussen hij/zij/hen en zichzelf – in de kloof die mij van mezelf ‘secteert’ en mij daarom (en alleen daarom) tot seksueel wezen maakt. Identiteit is ten voeten uit seksueel en gaat precies daarom niet terug op een oorspronkelijke, ‘echte’ seksuele identiteit.

Wat zich in die ‘seksuele’ afstand afspeelt, werkt Cixous in haar roman uit vanuit de concepten ‘herinnering’, ‘hertaling’ en ‘vertaling’. Het is in die zin dat haar roman tegen de tijdgeest ingaat: hij wil de differentie centraal stellen, ook in haar literaire procedés. Vandaar de steeds opnieuw brekende verhaallijn, de inconsistentie van wie wat waar wanneer zegt.

Dat dit in een Auschwitz-roman gebeurt, maakt dit alles des te pregnanter. Auschwitz – de macabere exponent van een extreem doorgevoerd identiteitsdenken – staat voor een radicale ontkenning van de kloof tussen het zelf en zichzelf. De rassentheorie waarop de nazistische ideologie stoelde was bij uitstek de exponent van een denken dat de mens tot een vaste – in casu biologische – identiteit reduceerde. Niet omwille van wat hij deed of geloofde, moest de Jood uitgeroeid worden, maar omwille van wat hij was. Hij was een ‘fout’ in de natuurlijke evolutie van de mensenrassen. En de nazi’s zagen het als hun plicht die ‘fout’ in de ‘natuur’ recht te zetten. ‘Ontmaskerd’ in – lees: gereduceerd tot – zijn biologische identiteit kon de Jood geen kant meer op. De differentie die, net als iedereen, ook een Jood ten aanzien van zichzelf was, werd op wereldwijd gedeelde sociobiologische gronden straal ontkend. Het is tegen deze en andersoortige vormen van ‘ontkenning’ – tegen elk identiteitsdenken dus – dat Cixous haar literaire kunnen in stelling brengt.

Dat dit literaire gevecht ook in de taal van onze Lage Landen toegankelijk is gemaakt, daarvoor mogen wij vertaler Désirée Schyns en uitgeverij Octavo alleen maar bijzonder dankbaar zijn.

 

Octavo, Amsterdam, 2022
Vertaald door: Désirée Schyns
ISBN 9789490334338
192p.

Geplaatst op 27/06/2022

Tags: Auschwitz, Hélène Cixous, Holocaust, Jacques Derrida, Jodendom, Pierre Alechinsky, Station Osnabrück naar Jeruzalem

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

  1. Christina Vanderhaeghe

    Het particuliere verhaal versus de geschiedenis van een volk: onoverbrugbaar, behalve voor de romanschrijver, de dichter, de de zinger, de schilder, de musicus.
    Mooie bijdrage die richting geeft aan een zomer met Europese en niet Europese vluchtelingen o.m. in de Lage Landen, iedereen met een hoogst persoonlijk verhaal.
    Ik kan deze bespreking enorm waarderen, helaas niet zonder het geruis op de achtergrond van nieuwe generaties ‘kinderen van de oorlog 2022-?’
    Literatuur, voorbij elke politieke analyse?

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.