Proza, Signalement

De Iraanse Lente, een sprookje?

Het pad van de gele slippers

Kader Abdolah

Het pad van de gele slippers vertelt het leven van de fictieve Iraanse filmregisseur Sultan Gholestan Farahandji. De jongen groeide op in een traditionele Perzische familie van saffraanhandelaren. Zijn jeugdjaren bracht hij grotendeels door in de toren van het familiekasteel, het perfecte uitkijkpunt om door zijn verrekijker de buitenwereld te observeren. Later ruilt hij de kijker om voor een fototoestel, en nog later, voor een filmcamera. De camera fungeert als een wegwijzer op zijn levenspad en gidst hem door een wereld vol vrouwen en guerrilla’s.

Hoewel de flaptekst de roman presenteert als het persoonlijke relaas van een jonge regisseur tijdens de Iraanse revolutie, slaagt Kader Abdolah (Iran, 1954) niet in die opzet. Zowel de geschiedenis van de revolutie als de gevolgen voor Iran en de Iraniërs blijven veelal onbesproken. Zelfs de scène waarin Sultan zijn thuisland noodgedwongen ontvlucht, wordt simplistisch samengevat als een tocht: ‘[r]echtdoor, langs een pad dat na vele omzwervingen via Pakistan in Amsterdam uitkwam’. Ook politieke onderwerpen zoals immigratie en ballingschap worden slechts terloops genoemd. Zo mist de roman de diepgang die de flaptekst doet verwachten.

Het gebrek aan politieke uitweidingen voorkomt dat de roman vervalt in een sentimenteel relaas. Enkel Sultans permanente eenzaamheid wordt meer dan eens benadrukt, maar die staat los van het revolutionaire decor. Als kind zonderde hij zich voortdurend af in zijn kasteeltoren en ook als student aan de filmacademie trekt hij zich terug om zich volledig op zijn studie te concentreren.

De weinige pogingen die hij onderneemt om bij iemand aansluiting te vinden, blijken tevergeefs, althans als het gaat om het vinden van een directe band. Indirect, met behulp van een ‘optisch instrument’, lukt het hem wel. Sultan erkent dat hij een ‘stukje glas’ nodig heeft om zich ‘te verbinden met de werkelijkheid’. Alleen ‘door de lens van [zijn] camera’ kan hij anderen bereiken. Dat besef betekent echter niet dat hij zich daar zomaar bij neerlegt: ‘Alleen al de gedachte dat ik heerlijke liefdesscènes in mijn films kon maken, maar in de realiteit niet in staat was om met een vrouw alleen te zijn maakte me ziek’.

Voor die ziekte bestaat slechts één remedie: ‘Aanvaard wat je bent en heb vertrouwen in het leven’. Sultan stelt het leven voor als een volwaardig en zelfstandig personage met een eigen wil en kracht. Enkel wie op het leven vertrouwt, kan ‘autonoom geluk’ bereiken:

Wanneer je jong bent, heb je nog niet door dat de paden van je leven eigenlijk van tevoren uitgestippeld zijn, en dat je ze gewoon moet belopen. Sommigen kunnen deze paden tot het einde volgen, anderen blijven ergens halverwege steken en nog anderen worden van het pad afgehaald. Maar de essentie ervan verandert niet: dit is je pad en je moet het volgen. En je zult zien hoe je het doet en wat je ervan maakt.

‘Eenieder bewandelt de weg die bij zijn voeten wordt neergelegd’, of dat is althans de bedoeling. Zulke clichématige uitspraken en gnomische wijsheden verschaffen de roman een sprookjesachtig karakter. Hoewel veralgemeningen als ‘aan alles komt een einde’ en typische metaforen zoals ‘de donkere wolken van mijn kindertijd’ vaak aanvoelen als oppervlakkig, passen ze in dit geval bij het sprookjesgenre. Dat neemt echter niet weg dat de overdaad aan voorbeeld al snel leidt tot voorspelbaarheid.

De stereotiepe moraal is lang niet het enige sprookjesachtige element in de roman. Wanneer twijfel iemand een zijweg instuurt, grijpen de djinns in. Djinns fungeren als een geweten: ze waarschuwen voor het maken van foute keuzes en nemen de eindbeslissing in tijden van besluiteloosheid. Meer dan eens wordt verwezen naar de Perzische Duizend-en-een-nacht sprookjes, in het bijzonder naar Aladin en de wonderlamp. Net zoals de djinn in de lamp Aladins wensen realiseert, zorgt Sultans djinn ervoor dat een aantal vrouwen zijn pad kruist. ‘Er kwam steeds weer een vrouw uit het niets tevoorschijn om [hem] een stuk te begeleiden naar de plek waar [hij] moest zijn’. Die vrouwen markeren de ijkpunten op zijn levenspad: ‘Ik kan met een stok een lijn op de grond trekken die bij het kauwgommeisje in ons kasteel begint en eindigt met Aurelia in mijn boerderij’. Bij elk van hen kan Sultan zich direct aansluiten, al dan niet in de vorm van een liefdesrelatie. Voor elk van hen maakt hij een paar gele slippers, die volgens hem klinken als ‘geluk’ en ‘goud’. Voor Sultan is de verbondenheid met een vrouw immers de ultieme vorm van geluk.

Tot slot dragen ook de eenvoudige taal en de associatieve vertelstijl bij aan het sprookjesgehalte. De verhaalelementen vloeien in elkaar over en maken daarbij het pad vrij voor nieuwe associaties. Toch versluiert die schijnbaar spontane poëtica heel wat terugkerende symbolische motieven en contrasten, zoals de permanente spanning tussen traditie en revolutie en het onduidelijk contrast tussen feit en fictie. Dat laatste contrast typeert Abdolahs gehele oeuvre en komt vooral tot uiting in een veelheid aan metafictionele uitspraken.

Ik ben van beroep cineast en heb mijn verhalen tot nu toe via de camera verteld. Maar ik heb begrepen dat literatuur de enige kunstuiting is waarmee je je verhaal in zijn totaliteit en zelfs meer dan zijn totaliteit kunt vertellen. Wanneer je schrijft, schrijf je jezelf op, je wordt een tekst, je wordt het verhaal. Een camera blokkeert je fantasie, de pen doet juist het tegenovergestelde. Je begint met een idee en een magische kracht voert je naar het reservoir van je eigen verhalen.

De fictie zit de werkelijkheid op de hielen, of is het net andersom? Enerzijds neemt Sultan voor zijn films de scènes op ‘die [hij] altijd in [zijn] hoofd had’, anderzijds vertolken traditionele ‘mythische gebeurtenissen’ precies zijn verhaal. Werkelijkheid en verbeelding lopen elkaar voortdurend voor de voeten. Tegenstrijdige uitspraken als ‘natuurlijk was ze geen visioen’ en het was ‘geen gewone vrouw maar een fictieve’, verraden dat Sultan zelf het onderscheid niet altijd kan maken.

Wie Het pad van de gele slippers leest uit interesse voor de Iraanse revolutie, blijft op zijn honger zitten. Wie de roman daarentegen leest als een sprookjesachtig levensverhaal, zal niet teleurgesteld zijn. Net als een sprookje start de roman met ‘[v]anaf hier ga ik zijn verhaal vertellen, het verhaal van Sultan, een oude Perzische filmregisseur’ en eindigt het gunstig met ‘[h]et verhaal was compleet’. Die totale closure neemt echter niet weg dat de boodschap om blind op het leven te vertrouwen nog lang blijft nazinderen, al heeft dat meer te maken met het storende stereotiepe karakter dan met de moraal an sich.

Recensie: Het pad van de gele slippers van Kader Abdolah door Margo Mies.

Prometheus, Amsterdam, 2018
ISBN 9789044633993
352p.

Geplaatst op 03/06/2020

Tags: Iraanse revolutie, Iran, Kader Abdolah, Margo Mies, Perzië, sprookje

Categorie: Proza, Signalement

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.