Recensies, Samenleving

In de koloniale spiegel blijft niemand buiten beeld

Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde

Albert Memmi (vert. Esha Guy Hadjadj)

Wie in de jaren vijftig van de vorige eeuw Frans las en de koloniale wereld wilde begrijpen, had aan drie boeken genoeg. Discours sur le colonialisme (1950) van Aimé Césaire, Peau noire, masques blancs (1952) van Frantz Fanon en ten slotte Portrait du colonisé, précédé du portrait du colonisateur (1957) van Albert Memmi. Drie teksten van drie stemmen met één gedeelde urgentie: het kolonialisme niet alleen politiek veroordelen, maar het psychologisch en cultureel ontleden, tot op het bot. Het werk van Fanon was al langer in Nederlandse vertaling beschikbaar en recent werd ook dat van Césaire vertaald. Nu is met de vertaling van het boek van Memmi, Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde, die lacune eindelijk ook gedicht.

Laat me beginnen bij een bekentenis: ik las dit boek voor het eerst in het Frans, als student, decennia geleden, nadat ik Fanons Zwarte huid, witte maskers had verslonden en De verworpenen der aarde — ook van Fanon – halverwege had opgegeven. Fanon schrijft met de felheid van een psychiater die ook profeet lijkt te willen zijn: zijn proza trilt, ramt en strijdt met de lezer. Memmi doet iets totaal anders: hij schrijft in aforismen; in korte, heldere zinnen die zich ophopen als argumenten in een rechtszaak, een reeks scherpe en rake observaties die samen een systeem tot aan het bot blootleggen. Je wil bij elke pagina naar je potlood, pen of markeerstift grijpen. Het boek vraagt om een lezer die de ene pertinente zin na de andere onderlijnt.

Dat is tegelijk de kracht en het gevaar van Memmi’s stijl. Zijn zinnen zijn zo geslepen dat ze zich moeiteloos laten isoleren, en allicht misbruiken. Een citaat uit zijn context halen is bij Memmi bijzonder verleidelijk en daarom wellicht ook misleidend. Want de kracht van het boek zit niet in de individuele aforismen, maar in de accumulatie ervan, in de manier waarop portret na portret wordt opgebouwd, laag na laag, tot je niet per se het portret ziet van individuen, de ene dader, de ander slachtoffer, maar het portret van een systeem, een systeem dat kruipt en sluimert in de daden en gedachten van het individu. Het is een systeem dat zichzelf in stand houdt, ongeacht de goede bedoelingen van de individuen die erin gevangen zitten. Memmi houdt ons een spiegel voor, met een glashelder beeld, waarin je jezelf scherper ziet dan je jezelf ooit hebt gezien.

 

Gevangen in het systeem

Memmi’s centrale inzicht is even eenvoudig als verwoestend: kolonialisme is geen aberratie, geen uitwas van een verder goedbedoeld maar slecht uitgevoerd systeem. Het is een structuur die zowel de kolonisator als de gekoloniseerde vormt, misvormt en in een staalharde en ijzige relatie gevangenhoudt. Memmi komt dan ook tot een harde conclusie: ‘de koloniale conditie kan alleen worden veranderd door de opheffing van de koloniale relatie. De kolonisator profiteert van die relatie, zelfs de zogenaamd welwillende, de linkse, de liberale kolonisator. Niet per se bewust, niet per se individueel gewelddadig, maar structureel. En die structurele medeplichtigheid corrumpeert, maakt cynisch, of zorgt ervoor dat je je volledig loskoppelt van de werkelijkheid. De gekoloniseerde, aan de andere kant, wordt gereduceerd tot iemand van wie de cultuur wordt ontkend, de taal wordt vernederd, de toekomst wordt verwoest. De enige uitweg, schrijft Memmi, is de dekolonisatie, maar ook die brengt geen magische bevrijding. Want politieke onafhankelijkheid lost de economische en sociale erfenis van de kolonisatie jammer genoeg niet op. Ook dat wist Memmi, net zoals Fanon, al voor de onafhankelijkheid aan te tonen.

Wat Memmi onderscheidt van Fanon is niet zozeer de boodschap of de analyse maar de nogal nuchtere, bijna klinische en koude blik. Waar Fanon de koloniale gewelddadigheid voelt en zijn lezers in zijn verontwaardiging en pijn meesleurt, houdt Memmi zich op een afstand. Hij drukt zijn woede niet uit door een bevlogen narratief, maar door een koele haarfijne beschrijving. Dat levert portretten op die te rigoureus, te vaststaand, te stereotiep kunnen gaan lijken, maar volgens mij is die rigiditeit net een bewuste strategie. Memmi schrijft vanuit de koloniale context en wil waarschijnlijk laten zien dat het kolonialisme zelf rigide is, dat het mensen in starre rollen dwingt, dat het de portretten die hij schetst net creëert. De aanklacht tegen een sociaal, economisch en politieke proces dat ons tot verstarde rollen reduceert, is de kern van zijn boodschap. Maar dat betekent geenszins dat we te reduceren zijn tot die rollen. Daar is de persoon Albert Memmi zelf het levende bewijs van.

 

De paradox van de auteur

Albert Memmi was een Tunesische Jood. Dat klinkt als een biografische anekdote, maar het is in feite de sleutel tot het hele werk.

Onder het Franse kolonialisme in Noord-Afrika creëerde het Décret Crémieux van 1870 een juridische anomalie: Algerijnse Joden kregen het Franse staatsburgerschap, moslims bleven echter onderdanen zonder rechten. Tunesië gold echter niet als kolonie, maar was een Frans protectoraat, en Joodse Tunesiërs kregen pas het voorrecht Frans burger te worden vanaf 1923, in tegenstelling tot de ‘inheemse’ bevolking in het algemeen. Het was een burgerschap dat hen uit de categorie van de gekoloniseerde tilde, maar hen er nooit volledig buiten plaatste. Zeker niet in Tunesië. En al helemaal niet toen Tunesië door de Duitsers werd bezet, toen ook daar Joden werden opgepakt en geïnterneerd. Memmi overleefde het als jongeman, maar na de oorlog bleef de koloniale werkelijkheid onaangeroerd en de witte Fransman beschouwde Tunesische Joden toch nooit helemaal als gelijken. Maar ondertussen had hun relatieve privilege toch voor vervreemding gezorgd waardoor de Tunesische moslims hen ook niet als kompanen zagen in de strijd tegen de kolonisatie. Ze hingen in een niemandsland: te Frans voor Tunesië, te Tunesisch voor Frankrijk. Noch helemaal kolonisator, noch echt gekoloniseerd.

Memmi beschreef dit zelf als een pijnlijke ambiguïteit. Hij liet ooit weten dat hij zich persoonlijk beter voelde in Parijs dan in Tunis, en toch schreef hij vanuit Parijs een vernietigend binair portret van het koloniale systeem dat hem had gevormd. De persoonlijke en intieme consequenties van het kolonialisme verkent Memmi ook in zijn romans. In Agar gaat hij bijvoorbeeld dieper in op de spanningen in een gemengde relatie: zij een Franse katholieke vrouw en hij een Joods-Tunesische man. Ze ontmoeten elkaar in Parijs, worden verliefd en beslissen zich te vestigen in Tunesië. In die koloniale setting komen evenwel de eerste barsten in hun relatie tot uitdrukking, een relatie die geleidelijk aan helemaal verbrokkelt, niet alleen omdat zij het zo moeilijk vindt om zich in Tunesië thuis te voelen maar ook, en misschien vooral, omdat hij zelf bewust wordt van zijn diepe verscheurdheid tussen “deux parties hétérogènes de moi-même”, tussen Frankrijk en Tunesië, tussen de kolonisator en de gekoloniseerde. De Joods-Tunesische verteller merkt namelijk op dat hij had gekozen voor het zuiden, voor de Middellandse Zee en Tunesië, maar dat het beste van zichzelf, de vrije, de meest universele kant van hemzelf, eigenlijk verbonden was met het noorden, met Frankrijk. Aangezien we er gerust van kunnen uitgaan dat Memmi’s fictie geïnspireerd is door zijn eigen leven, kunnen we ook stellen dar de man die het kolonialisme ontleedde, de koloniale splitsing in zichzelf droeg, een tweespalt die we trouwens ook terugvinden in Zwarte huid, witte maskers van Fanon.

 

De zionist

En dat brengt ons meteen bij de kwestie die zijn erfenis tot op vandaag belast: Memmi was een overtuigd zionist. Hij was een linkse, vrijzinnige, atheïstische antikolonialist die tegelijk het zionisme verdedigde. Dat lijkt tegenwoordig ondenkbaar, zelfs een onoplosbare contradictie. Hoe kan de man die zo scherp het mechanisme van koloniale onderdrukking blootlegde, datzelfde mechanisme elders verdedigen?

Het antwoord ligt, denk ik, in zijn positie zelf. Memmi schreef vanuit de ervaring van iemand die nergens volledig thuishoorde, die in geen enkel narratief paste. Hij droeg zowel het portret van de kolonisator als het portret van de gekoloniseerde in zich. Hij was tegelijk bevoorrecht en uitgesloten, Frans en vreemdeling, antikoloniaal en settler-sympathisant. Die spreidstand maakt hem tot een ongemakkelijke, maar daardoor des te interessantere denker. We mogen daar trouwens ook nooit bij vergeten dat het Israëlische staatsproject na de Holocaust heel lang de steun kreeg van linkse sympathisanten en dat de kibboets, als collectief samenwerkingsverband met gemeenschappelijk bezit, voor vele progressieven gold als een toonaangevend voorbeeld van wat een socialistische maatschappij zou kunnen zijn.

Bovendien denk ik dat deze paradox zijn boek, ironisch genoeg, rijker maakt. Want als zelfs de auteur aan de binaire logica van zijn eigen portret ontsnapt, als zelfs hij niet zuiver ‘kolonisator’ of ‘gekoloniseerde’ is, dan suggereert het boek ondanks zichzelf, met het strakke binaire keurslijf van slachtoffer en dader, dat de werkelijkheid complexer is dan het analytische raster dat de kolonisatie ervan maakt. Hetzelfde ‘witte’ raster dat ik in mijn boek Witte orde uitgebreid toelicht: de sociaaleconomische en politieke orde die het idee van ‘witte’ tegenover ‘niet-witte’ mensen creëert als dominant referentiepunt, ook al blijkt onze individuele ervaring niet zo eenduidig.

 

1957 in 2026

Dat brengt me bij de vraag die elke heruitgave of vertaling van een klassieker rechtvaardigt: waarom nu? Waarom is dit boek uit 1957 relevant in 2026? Het antwoord is pijnlijk eenvoudig: omdat de structuren die Memmi beschreef niet zijn verdwenen. Ze hebben zich verplaatst, vermomd, opgesplitst, geherformuleerd. Het klassieke kolonialisme met zijn directe bestuurlijke controle, zijn raciale hiërarchieën vastgelegd in wet en ruimte, is grotendeels verdwenen. Maar de economische logica ervan en de materiële gevolgen blijken grotendeels intact gebleven. Het mondiale Zuiden, d.i. de voormalig gekoloniseerde wereld, levert grondstoffen, arbeiders en natuurparken. Het mondiale Noorden, dus de voormalige koloniale centra en hun vestigingkolonies, extraheert, verwerkt, profiteert. De namen zijn veranderd, de narratieven ter verantwoording van die ongelijke relatie aangepast, de cipiers zijn inderdaad vervangen, maar de machtsverhoudingen en materiële belangen nauwelijks.

Er is evenwel ook iets nieuws, of althans belangrijkers aan de hand, iets waarmee Memmi’s binaire portret moeilijker overweg kan. In onze tijd zijn de dynamieken van kolonisator en gekoloniseerde niet langer netjes verdeeld over geografische of raciale grenzen, hoewel ze dat wel nog grosso modo zijn. Er is vandaag niettemin een overduidelijk klasse-element dat de raciale tegenstelling niet opheft maar doorkruist. Een Pakistani werkend in een Londens Amazon-warehouse, een Filipijnse verpleegster in een Belgisch ziekenhuis, een Britse trader die een rederij in Singapore financieel advies geeft, een Congolese ingenieur werkend voor een Europees techbedrijf, een Indiase arts in een Californisch ziekenhuis, een Duitse ingenieur die in Indonesië voor een multinational aan de slag gaat, een Koreaanse fysicus die onderzoek doet in Londen; een Chinese ondernemer die een mijnconcessie in Congo runt. Zij allen dragen een identiteit die noch zuiver ‘kolonisator’, noch zuiver ‘gekoloniseerde’ is. Ze zijn tegelijk opgenomen in het systeem en erdoor uitgebuit, elk op een andere schaal en vanuit een andere positie. Dat is geen frontaal tegenargument tegen het beoog van Memmi maar een thematische voortzetting. Laat me daarom even in gesprek met Memmi het binaire schema dat hij voorstelt oprekken.

 

De migrant en de arbeider

De hedendaagse antimigrantenretoriek kan moeilijk begrepen worden zonder haar te situeren binnen de structurele verhouding tussen ‘ras’ en klasse. Wat vandaag vaak verschijnt als een cultureel conflict, is in werkelijkheid een verschuiving binnen een langer historisch patroon waarin economische precariteit wordt vertaald in morele en raciale categorieën. Migranten worden niet enkel voorgesteld als ‘anderen’, maar als een specifieke soort ander: tegelijk noodzakelijk en overbodig, zichtbaar en ontkend.

In Portret beschrijft Memmi de koloniale verhouding als een rigide structuur: de kolonisator en de gekoloniseerde zijn wederzijds constituerend, gevangen in een systeem dat hen beide definieert en beperkt. Deze analyse blijft verhelderend, maar de huidige context dwingt ons ook om die tegenstelling minder als een stabiele tweedeling te zien, en eerder als een veld van verschuivende posities. De hedendaagse figuur van de ‘migrant’ belichaamt precies deze instabiliteit: hij of zij is geen klassieke ‘gekoloniseerde’, maar valt ook niet buiten het koloniale schema.

De migrant in Europa vandaag wordt opgenomen in de economie onder voorwaarden die sterk lijken op wat Memmi beschreef: afhankelijkheid, ondergeschiktheid en een systematische ontzegging van volledige menselijkheid. Daarnaast zijn er ook mensen die niet als migrant worden gezien maar als  expat. Dat heeft uiteraard niet alleen iets te maken met huidskleur of oorsprong, aangezien een zwarte professional in Brussel of Amsterdam even goed een expat zou kunnen zijn. Ook andere tekens zijn daarbij belangrijk, zoals bijvoorbeeld taal, accent, vestimentaire keuzes, en andere. Maar tegelijkertijd fungeert huidskleur wel als een waarneembaar teken van verschil dat snel kan doen vermoeden dat een zwarte persoon allicht een migrant zou kunnen zijn en geen expat. Expats zijn onafhankelijk, zeker niet ondergeschikt en worden erkend in hun volledige menselijkheid. Toch ontbreekt de territoriale fixatie die voor Memmi essentieel was. De migrant én de expat zijn niet gebonden aan één kolonie, maar bewegen – gedwongen of strategisch – binnen en tussen nationale ruimtes. Dit maakt vooral ‘migranten’ tot paradoxale figuren, waarbij de koloniale dimensie van hun politieke en economische positie telkens weer ontkend kan worden: ze zijn tegelijk binnen én buiten, burger én niet-burger, werker én werkloos.

Antimigrantenretoriek speelt precies in op deze ambiguïteit. Westerse staten presenteren migranten als een bedreiging voor de lokale arbeidersklasse, terwijl ze tegelijkertijd hun arbeid exploiteren en nodig hebben. Hier zien we een verschuiving van wat Memmi beschreef als een relatief stabiele hiërarchie naar een meer gefragmenteerde ordening, waarin verschillende groepen tegen elkaar worden uitgespeeld. De koloniale logica verdwijnt niet en Memmi’s analyse blijft pertinent, maar die logica wordt herverdeeld over nieuwe breuklijnen van conflict.

In zijn voorwoord uit 1966, opgenomen in deze vertaling, erkent Memmi zelf al dat de dekolonisatie niet het einde van de koloniale verhouding betekent. Integendeel, hij suggereert dat de structuren en mentaliteiten die het kolonialisme mogelijk maakten, zich kunnen herconfigureren in nieuwe vormen. De huidige antimigrantenpolitiek kan precies zo begrepen worden: niet als een breuk met het koloniale verleden, maar als een gemuteerde voortzetting ervan.

Wat opvalt is hoe ‘ras’ en klasse hier op elkaar inspelen. Migranten worden niet enkel geracialiseerd; hun economische positie wordt gebruikt om deze racialisering te legitimeren. Ze worden voorgesteld als profiteurs van sociale systemen, terwijl ze in werkelijkheid vaak de meest precaire, noodzakelijke en slecht betaalde arbeid verrichten in de schoonmaak, logistiek, zorg en bouw: pakjesverdeler, maaltijdbezorger, poetshulp, bouwvakker, straatveger, polyvalent verzorgende, industrieel reiniger enz. Dat dubbele discours van afhankelijkheid en beschuldiging herinnert sterk aan Memmi’s beschrijving van de gekoloniseerde als zowel lui als overwerkt, zowel inferieur als bedreigend.

Waar Memmi’s analyse echter lijkt uit te gaan van een duidelijke scheiding tussen kolonisator en gekoloniseerde, zien we dat deze rollen niet altijd en overal even strikt vastliggen. De Europese arbeidersklasse bijvoorbeeld wordt enerzijds gepositioneerd als slachtoffer van globalisering en migratie, maar neemt anderzijds ook deel aan de uitsluiting van migranten. Ze is tegelijk onderworpen en medeplichtig. Dit compliceert het binaire model zonder het volledig te ontmantelen. Het is precies in deze complicatie dat een verdere analyse nodig is. In plaats van de tegenstelling tussen kolonisator en gekoloniseerde simpelweg te zien als een vaststaand feit, moeten we nagaan hoe deze categorieën intern verdeeld en opnieuw samengesteld worden. De ‘migrant’ is hierbij geen uitzondering, maar bekleedt een sleutelpositie: hij maakt zichtbaar hoe de logica van het kolonialisme die Memmi ons voorlegt, zich fractaal voortzet binnen de koloniale metropool zelf.

Antimigrantenretoriek functioneert dan als een ideologisch instrument dat deze nieuwe configuratie stabiliseert. Door migranten te framen als externe bedreiging, wordt de aandacht afgeleid van de structurele oorzaken van economische ongelijkheid. Tegelijk wordt een hiërarchie bevestigd waarin bepaalde levens meer waard zouden zijn dan andere levens; een voortzetting van het koloniale denken in gewijzigde omstandigheden.

 

Geïnternaliseerd

Wat Memmi ons leert, is dat dergelijke systemen niet enkel materieel maar ook psychologisch werken. Ze produceren subjecten die hun eigen positie begrijpen en rechtvaardigen binnen het systeem. In de huidige context betekent dit dat zowel ‘autochtone’ Europese burgers als niet-Europese migranten zich moeten verhouden tot een discours dat hen in bepaalde rollen dwingt. De uitdaging is dan om de voorwaarden te begrijpen die deze rollen mogelijk maken.

Door Memmi’s analyse te hernemen en uit te breiden, kunnen we zien dat de koloniale verhouding niet verdwenen is, maar zich heeft verplaatst en vermenigvuldigd. De binaire structuur blijft aanwezig, maar is niet langer voldoende om de hele complexiteit van de postkoloniale en neokoloniale situatie te vatten. In plaats daarvan moeten we denken in termen van overlappende en verschuivende machtsrelaties, waarin ‘ras’ en klasse voortdurend opnieuw worden gearticuleerd. Zo zien we bijvoorbeeld dat politici met een migratieachtergrond – zoals Dilan Yeşilgöz in Nederland of Assita Kanko in Vlaanderen – die zich tegen migratie en diversiteitsbeleid keren, geen paradox zijn, maar een logisch gevolg zijn van de koloniale logica. Het wijst op wat Memmi correct analyseert als het geïnternaliseerd racisme dat noodzakelijk blijkt om je legitimiteit als migrant in een koloniale wereld te versterken. Dezelfde dynamiek beïnvloedt witte burgers in armoede die voor extreemrechtse partijen stemmen. Zij verdienen immers hun positie als legitieme burger, en niet als zogenaamde ‘luie profiteur’, door zich te keren tegen de migranten die het niet zouden verdienen hier te zijn en louter komen ‘profiteren’. Memmi vat mooi samen hoe de koloniale situatie elke vorm van solidariteit binnen groepen met gelijkaardige belangen volledig ondermijnt, zowel binnen de multiculturele onderdrukte klasse als onder de raciaal gestigmatiseerde migranten. Beide keren zich tegen de verbeelde ‘migrant’ in de hoop hun situatie te rechtvaardigen, zij het als ‘goede armen’ die het verdienen geholpen te worden omdat ze de oorspronkelijke leden zijn van de verbeelde natie, zij het als ‘goede migranten’ die het verdienen erkend te worden als legitieme leden van de natie omdat zij succesvol zijn en zich tegen de slechte migranten keren. In beide gevallen aanvaarden ze, zoals Memmi schreef over de gekoloniseerde, ‘zichzelf te vernietigen om zich zo te kunnen bevrijden’, als gemarginaliseerde klasse of als geracialiseerde migrant.

 

Identiteit

Tegelijk leeft onze politieke cultuur in een klimaat van identiteitspolitiek die de neiging heeft complexiteit te reduceren. Enerzijds is er een opkomend neo-imperialisme, gestuwd door tech-miljardairs, dat alle kritiek op westerse macht en koloniale voortzetting wegwuift als naïef of gevaarlijk. Anderzijds is er een identitair discours dat witheid ten minste impliciet als een monolithisch begrip behandelt, zonder ruimte voor de genuanceerde positie van iemand als Memmi, of van de vele miljoenen mensen vandaag: mensen van kleur die de koloniale orde uitdragen en verdedigen, maar ook mensen die witheid in zich dragen of witte privileges genieten, maar tegelijk tegen de koloniale systemen rebelleren die die witheid produceren, en iedereen daartussenin.

Memmi biedt geen oplossing voor dit dilemma waar hij zelf een belichaming van is. Maar hij biedt iets dat minstens even waardevol is: een helder vocabulaire om het te benoemen. Zijn portret van de kolonisator die ‘ondanks zichzelf’ meewerkt aan een systeem van onderdrukking, ook al is hij er persoonlijk tegen, is een van de scherpste beschrijvingen van structurele medeplichtigheid die ik ken. Zijn portret van de gekoloniseerde die racistische denkbeelden internaliseert als overlevingsstrategie, is een analyse die tientallen jaren later nog steeds door psychologen, sociologen en politicologen wordt bevestigd.

Het is niet toevallig dat dit boek verscheen in 1957, het jaar waarin de dekolonisatiegolf in Afrika het startschot kreeg. Fanon, Césaire, Memmi: ze schreven allemaal in het decennium voor de grote onafhankelijkheidsgolf en ze schreven allemaal vanuit een paradoxale positie van gekoloniseerden die toch een zekere toegang hadden tot de status van de kolonisator, met de urgentie van mensen die weten dat de wereld op het punt staat te kantelen. In 1958 organiseerde Brussel nog een wereldtentoonstelling waar zwarte mensen letterlijk in kooien werden tentoongesteld, als curiosa voor het witte publiek. Eén jaar eerder had Memmi al het systeem beschreven dat zulke tentoonstellingen mogelijk maakte, en noodzakelijk maakte, omdat dat systeem zijn eigen rechtvaardiging voortdurend moet reproduceren.

 

Tot slot

Portret is geen gemakkelijk boek. Deze keer niet, zoals bij Fanon, omdat het moeilijk te doordringen lectuur zou zijn, maar omdat het moeilijk te negeren valt. Memmi dwingt je te kiezen, je te positioneren, te erkennen. In de vertaling van Esha Guy Hadjadj klinkt die dwingende stem in het Nederlands even scherp als in het origineel. Ik ga me niet focussen op de mogelijke foutjes of specifieke taalkeuzes van de vertaler, maar vergelijk de Nederlandse tekst met de stijl van de originele versie. Die vormt een uitdaging voor een vertaler omdat hij niet alleen aforistisch, maar gelaagd is, en soms kurkdroog in zijn precisie. De verleiding bestaat om te versoepelen, te parafraseren, de scherpte wat te temperen. Hadjadj doet dat niet. De vertaling behoudt de ritmische kracht van het origineel, de cadans van zinnen die zich opstapelen als een betoog dat zichzelf opbouwt. De Nederlandse tekst voelt niet als een vertaling aan en dat is denk ik het grootste compliment dat je een vertaler kan geven.

Lees dit boek. Markeer en noteer. Citeer het. Voel je er ongemakkelijk door. En denk dan na over wie jij bent in het portret dat Memmi tekent, want de kans is groot dat je jezelf ergens herkent in die koloniale spiegel, op een plek die je liever niet had ingenomen.

 

Octavo, 2026
Vertaald door: Esha Guy Hadjadj
ISBN 9789490334468
168p.

Geplaatst op 24/06/2026

Tags: Albert Memmi, Frantz Fanon, Jodendom, kolonialisme, Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde, racisme, Zionisme

Categorie: Recensies, Samenleving

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.