Filosofie, Recensies

Geen hoofdkussenboek met tegeltjeswijsheid

Over vriendschap

De praktische filosofie van Kant

Donald Loose

Vriendschap is niet het meest voor de hand liggende thema dat je zou associëren met de filosofie van Immanuel Kant (1724-1804). Niet omdat deze filosoof zo’n mensenhater geweest zou zijn. Integendeel, hij stelde goed gezelschap zeer op prijs, was een onderhoudend causeur en had van vriendschap een hoge dunk, zo schrijft de filosoof Donald Loose in zijn boek Over vriendschap. De praktische filosofie van Kant, waarvoor hem (als eerste Nederlandstalige Belg) in 2020 de Socrates Wisselbeker werd toegekend.

Maar was Kant niet de dorre systeembouwer die een zo radicale wending gaf aan de kentheorie dat de filosofie daarvan nog altijd niet bekomen is? Die in de esthetica zowel het schone als het verhevene (sublieme) wist in te bedden in een onwrikbaar filosofisch stelsel? En die in de ethiek vooral de plicht van belang achtte – als rechtgeaarde Pruis, zo wilde menig commentator nog wel eens mopperen. Hoezo vriendschap?

Dat is allemaal waar. En toch heeft Loose met de keuze van zijn invalshoek een gelukkige greep gedaan. Vanuit dit ogenschijnlijk marginale thema weet Loose in almaar bredere kringen het denken van Kant steeds coherenter in beeld te brengen. Je zou zijn methode kunnen vergelijken met wat in de geschiedschrijving de microhistorie gedaan heeft: een klein voorval, een banaal gegeven, een minieme rimpeling in de kronieken van een tijdvak volstaan om niet alleen een wijds beeld van de toenmalige werkelijkheid te schilderen, maar dat panorama ook verbonden te houden met de alledaagsheid waarin die werkelijkheid pas betekenis verkrijgt.

Zo neemt, om een voorbeeld te noemen, de esthetische verhouding tussen het schone en het sublieme bij Kant in dit boek een zichtbare gestalte aan in de vriendschap, die een subtiel evenwicht vormt tussen liefde (het terrein van het schone) en respect (het gebied van het verhevene). Zo vindt het onderscheid tussen zijn en verschijnen, dat de kern vormt van Kants kentheorie, zijn weerslag in het besef dat vriendschap weliswaar bestaat in een voortdurende ontmoeting tussen twee mensen, maar dat zij nooit geheel doordringen in elkaars wezen.

En waar het op het collectief samenleven van mensen aankomt, laat Loose indringend zien dat vriendschap géén basis van een politieke orde kan zijn. In haar omarming van de ‘broederschap’ veroordeelde de Franse Revolutie zich tot haar eigen ontaarding in terreur. Zelfs de kantiaanse plichtethiek blijkt zich in de vriendschap (en vervolgens in elke morele verhouding) slechts te kunnen handhaven wanneer ook de rol van de deugd het volle pond krijgt. Plots blijkt Kants denken onverwacht verwant aan de (aristotelische) deugdethiek.

 

Rang en stand

Maar waarom speciaal ingezoomd op vriendschap? Ontegenzeglijk heeft dat thema in de huidige filosofie aan belang gewonnen, sinds de publicatie van Jacques Derrida’s Politique de l’amitié (1994), zo’n kwarteeuw geleden. Daar zijn goede maatschappelijke redenen voor. ‘Nu rang en stand, beroepsrelaties en huwelijksbanden, politieke partijen en confessionele zuilen steeds meer ontbinden en vlottend worden, krijgt vriendschap ook steeds meer belang als maatschappelijk verband’, zo constateert Loose in zijn voorwoord.

De sociale media weerspiegelen dat; het wemelt er van de vriendschapsverzoeken en ‘ontvrienden’ – met de oppervlakkigheid die de zaak geen goed doet en waarvoor Loose terecht weinig waardering toont. Wat ware vriendschap dan wel is (wederkerigheid of niet, gelijkheid of niet, absolute eerlijkheid of niet) onderzoekt hij vervolgens in een uiterst nauwkeurige lezing van Kants geschriften en de overgeleverde collegedictaten van diens leerlingen, waarvan hij zich een indrukwekkend kenner toont.

Vanuit Looses vraag naar Kants vriendschapsideeën ontvouwt zich in dit boek ten slotte een beeld van de condition humaine als zodanig. Het hele menselijke bestaan speelt zich af in een ongewisse verhouding tussen concrete feitelijkheid aan de ene kant en universele criteria (van kennis, van oordeel, en vooral van ethiek) aan de andere. Een moreel geslaagd leven is dan ook níet alleen een kwestie van formele plicht, zo nuanceert Loose de barse (‘Pruisische’) Prinzipienreiterei die Kant nogal eens wordt toegeschreven. Terwijl de plicht de voor iedereen geldende lijnen van de moraal uitzet, geeft de deugd daaraan de specifieke toon die ieder mens tot een welonderscheiden individu en diens levensgeschiedenis steeds weer tot iets bijzonders maakt. In de deugd word ik niet tot iets verplicht, maar verplicht ik mijzelf tot iets waaraan ik trouw blijf, wil ik mijzelf niet verloochenen.

Daarom is vriendschap een ‘deugdplicht’, aldus Loose, aldus Kant. Niemand kan mij ertoe dwingen iemands vriend te zijn. Van een plicht in algemene zin kan hierbij dus geen sprake zijn. In de vriendschap geef ik integendeel concrete gestalte aan de menselijke opdracht ten opzichte van anderen zowel liefde als respect te betrachten – in wisselende mate al naargelang de verhouding die we met hen onderhouden. In de vriendschap komt deze verhouding tot haar hoogste intensiteit en dus tonen deze deugden er zich op een wijze die het hele mensenbestaan tot voorbeeld strekt. ‘Het detail is heel het systeem’, luidt veelzeggend de titel van Looses inleiding tot dit boek.

Zo vindt de mens zich terug in een onbestemd tussengebied tussen algemene regels (plichten) en concrete specificiteit (deugden). Juist die onbestemdheid maakt ons tot morele wezens, want daarin moet ik steeds weer mijn eigen positie bepalen, beslissingen nemen in déze situatie, en me verhouden tot déze mens tegenover mij. Met louter algemene regels komen we er dan niet, zelfs niet met Kants beroemde ‘categorische imperatief’, maar met louter ad-hocbeslissingen of vertrouwen op het sentiment al evenmin. Zou het eerste de overhand krijgen, dan zouden we geen mensen meer zijn maar engelen – en dus ook geen vrijheid en dus geen moraal meer (nodig) hebben. Zouden we ons blijven ophouden in louter concrete betrekkelijkheid, dan zouden we nóg geen mensen zijn maar dieren, zonder het redelijke verstand waaraan Kant als Verlichtingsdenker bovenmate hecht.

 

Verlichtingsrationalisme

Niet dat wij Kant in alle opzichten moeten volgen, zo geeft Loose toe. Ook hij was een kind van zijn tijd en zijn Verlichtingsrationalisme delen we lang niet meer in alle opzichten. Een anekdotisch voorbeeld van zijn formalisme is de omschrijving van de huwelijkserotiek als ‘het wederzijdse gebruik van de geslachtsorganen en de seksuele vermogens van een ander’ – waarin nog geen greintje romantiek is doorgedrongen. Vriendschap, zo tekent Loose aan, kon dan ook pas een element worden in het denken over het huwelijk toen het onderscheid tussen vrouwen en mannen zijn scherpe kantjes verloor (en – een ontnuchterende observatie – huwelijkse relaties dankzij de hogere leeftijdsverwachting steeds langer bleven duren). Hoe dan ook waren vrouwen volgens Kant niet tot echte vriendschap in staat.

Niettemin weet Loose aan Kants oeuvre een diepe en genuanceerde analyse van de vriendschap te ontlokken. De bezwaren die daartegen door andere denkers zijn ingebracht (van Levinas tot Derrida, van Lyotard en Ricoeur tot Honneth, Rancière en Arendt), weet hij meestal met grote subtiliteit te ontzenuwen. Belangrijker dan deze filosofische confrontaties zijn echter de getuigenissen van literaire schrijvers, die aan de hand van concrete personages laten zien wat vriendschap is en al dan niet vermag. Schiller (en Verdi), Musil, Kleist, Heine, Kundera, Proust en Márai tonen wat Kant analyseert. Pas in de ontmoeting tussen filosofie en literatuur, aldus Loose, licht de ware betekenis van de vriendschap en van het menselijk bestaan als geheel op. ‘Het meest concrete en het volstrekt universele schragen elkaar. […] De discursiviteit van onze eindige rede, de schrijf- en leestijd van ons bestaan, de biografie van het leven zelf zijn – gelukkig – niet ophefbaar in een metafysica.’

Maar, zo brengt dit hele boek tot uitdrukking, zonder die laatste zou ons eindig bestaan blind zijn, ronddolend in een onafzienbare hoeveelheid voorvallen en feitjes waaraan kop noch staart te ontdekken valt. Daarom vraagt de ethische bezinning op het mensenbestaan niet alleen om een beschrijving van menselijke relaties, zoals die in de literatuur te vinden is, maar ook om een systematische doordenking van de ethische logica op grond waarvan wij een oordeel kunnen vellen over goed en kwaad.

 

Urgentie

Die systematiek is bij Kant bepaald niet eenvoudig, en met enig understatement waarschuwt Loose er dan ook aan het begin van het boek voor dat ‘de eerste hoofdstukken, waarin een en ander geïntroduceerd wordt, […] wellicht weerbarstig [zullen] overkomen bij de lezer.’ Over vriendschap is geen hoofdkussenboek dat je voor het slapengaan nog even ter hand neemt om met een alinea wijsgerige tegelwijsheid verrijkt het land der dromen binnen te glijden. Zelfs de filosofisch al wat onderlegde lezer moet er zijn hoofd goed bij houden en elke zin tot zich laten doordringen om de draad niet te verliezen. Gelukkig zijn dat wel zonder uitzondering glasheldere zinnen, opgeschreven in een vlekkeloos Nederlands dat men menige hedendaagse essayist zou toewensen. En gelukkig laat Loose af en toe de teugels ook wat vieren: in zijn voorbeelden uit de literatuur en, tegen het einde van het boek, uit de levensloop van Kant zelf.

De jury van de Socratesprijs 2020 ‘heeft gekozen voor het boek dat zij filosofisch het stevigst doortimmerd achtte’, zo schrijft zij in haar rapport. ‘Een boek dat een brug slaat naar de publieksfilosofie vanuit de academische filosofie, door een uitzonderlijke filosofische precisie te combineren met een thema dat eenieder aangaat.’ Daarover is na de toekenning hier en daar gemopperd. Hoe publieksvriendelijk is dit veeleisende boek eigenlijk nog? – zo vroeg het dagblad Trouw zich in een nogal zure reactie af. Is de populariteit van de filosofie met een dergelijk traktaat werkelijk wel gediend?

Deze controverse zit deels al ingebakken in de woorden waarmee de Socratesprijs van begin af aan omschreven werd. Het ‘meest urgente en prikkelende’ filosofieboek van het voorafgaande jaar zou ermee onderscheiden worden. Dat is niet hetzelfde als het beste boek, en sindsdien lopen beide criteria nogal verwarrend door elkaar heen – niet in de laatste plaats wanneer ‘prikkelend’ ook nog eens opgevat wordt als ‘populair’. Dat laatste kun je Looses Over vriendschap moeilijk noemen. De urgentie en prikkeling ervan worden pas voelbaar in een kalme en aandachtige lezing – waarvoor dit journalistieke tijdsgewricht vaak weinig geduld en waardering heeft. Niet ten onrechte waarschuwt Loose de lezer dan ook voor wat hem te wachten staat. Inspanning en gedegen denkwerk: dat zal het hem kosten. Maar dan heeft hij ook wat.

 

 

Recensie: Over vriendschap. De praktische filosofie van Kant. van Donald Loose door Ger Groot

Vantilt, Nijmegen, 2019
ISBN 978 94 6004 401 4
303p.

Geplaatst op 02/11/2020

Tags: Donald Loose, Immanuel Kant, Over vriendschap, Vriendschap

Categorie: Filosofie, Recensies

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.