Essays

Over de schreef. Overspel in hedendaagse Nederlandstalige literatuur

Toen ik vrienden en familie vertelde dat ik werkte aan een artikel over overspel in literatuur, gingen meer dan eens de wenkbrauwen omhoog. In eerste instantie dacht ik dat het lag aan het stigma dat wellicht nog steeds op dit onderwerp zou rusten, maar het tegendeel bleek waar: het fenomeen kwam velen juist voor als gedateerd. ‘Overspel, wat een ouderwets idee,’ verzuchtte een vriendin. ‘Bestaat dat eigenlijk nog wel?’

 

Hoe meer gesprekken ik voerde, des te duidelijker vormde zich de gedachte dat overspel een heldere scheidslijn tussen trouw en ontrouw suggereert, en dat voor velen dat onderscheid vandaag de dag niet zo makkelijk meer te maken valt. Nationale en internationale onderzoeken laten zien dat het aantal mensen dat zich aan één partner wil verbinden krimpt. De afgelopen vijftig jaar daalden de huwelijkscijfers wereldwijd gestaag en nam het aantal mensen dat alleen woont sterk toe. Ook in Nederland steeg het percentage 35-jarigen zonder partner van 22% in 2000 naar 29% in 2020. Enquêtes laten bovendien zien dat steeds minder mensen monogamie als een realistische relatievorm beschouwen.

 

Op losse schroeven

Dat zet ook het fenomeen overspel op losse schroeven. Want over welke grens ga je precies heen als er steeds minder vastomlijnde afspraken zijn over waar die grens precies ligt? Aan de andere kant: wellicht vraagt juist dat groeiende schemergebied om reflectie, bijvoorbeeld in de vorm van literair onderzoek. Die behoefte lijkt er aan de kant van schrijvers in elk geval wel te zijn: de afgelopen jaren waagden onder meer Adriaan van Dis, Saskia de Coster, Laura van der Haar en Malou Holshuijsen zich – soms zelfs meermaals – aan het onderwerp vreemdgaan.

 

Daarmee staan zij op de schouders van reuzen: schrijven over overspel is al eeuwenoud. Vrijwel alle romans die ik in het eerste jaar van mijn studie Literatuurwetenschap las, bevatten een romance: van Flauberts Madame Bovary (1856) tot Tolstojs Anna Karenina (1878), van Couperus’ Eline Vere (1889) tot Fontanes Effi Briest (1894). Stuk voor stuk tonen deze negentiende-eeuwse klassiekers de botsing tussen heersende maatschappelijke normen en romantische fantasieën. Ook verderop in de literatuurgeschiedenis treffen we tal van overspelromans: van D.H. Lawrences Lady Chatterley’s Lover (1928) tot Richard Yates’ Revolutionary Road (1961), allemaal maken ze de wens los te breken uit het eigen verstikkende leven invoelbaar.

 

Opvallend is de verschuiving in gender: de hierboven genoemde historische romans zijn allemaal door mannen geschreven, terwijl vrijwel alle schrijvers van overspelromans van de afgelopen jaren vrouw zijn. (Uiteraard moeten we hierbij in acht nemen dat het voor vrouwen in de afgelopen eeuwen een stuk moeilijker was om te worden gepubliceerd; tegelijkertijd blijft het verschil in schrijversperpectief bestaan.) Het gender van de personages die vreemdgaan varieert per roman. Over het algemeen valt het wel op dat in oudere romans het vooral de ‘losgeslagen’ is vrouw die vreemdgaat; ze lijkt via die weg los te willen breken uit het huwelijkse construct.

 

Welk licht laten deze hedendaagse romans schijnen op het overtreden van de – veelal ongeschreven – regels van liefde en intimiteit, en wat kunnen we hiervan leren over de manier waarop we vandaag de dag liefdesrelaties beschouwen?

 

Overspelige warmte

Laten we beginnen met de enige man uit bovengenoemd rijtje. Adriaan van Dis deed begin 2026 veel stof opwaaien met zijn sterk autobiografische roman Alles voor de reis, waarin hij met terugwerkende kracht de liefde beschrijft tussen een schrijver en Eefje, een regisseur hij tijdens zijn werk als presentator leert kennen. Zij is alleen al bezet. Gedurende hun tientallen jaren durende relatie blijft zij trouw aan haar man, die in de roman consequent de Ander wordt genoemd.

 

Wanneer door ziekte het einde van haar leven nadert, kiest Eefje ervoor haar laatste maanden door te brengen in een hospice, waar ook de schrijver haar kan bezoeken. Ze benutten deze tijd door samen herinneringen op te halen aan de talloze reizen die ze samen maakten. Deze momenten weekten hen tijdelijk los van de impasse waarin ze gezamenlijk waren beland: zij zou haar partner nooit verlaten, maar beëindigen kunnen ze deze affaire evenmin.

 

Van Dis beschrijft deze overspeligheid met veel warmte, waardoor de lezer geneigd is in deze verbintenis een vorm van ware liefde te lezen. Daarbij helpt het dat het verhaal volledig gefocaliseerd is vanuit de ik-verteller, oftewel de schrijver, die liever aandacht besteedt aan de mooie kanten van hun samenzijn dan aan de onprettige aspecten ervan. Die constructie neigt zo nu en dan naar schaamteloze zelfpromotie, bijvoorbeeld wanneer de schrijver het moment in herinnering brengt waarop hij door de ouders van Eefje als de perfecte partner voor hun dochter wordt bestempeld. Ook besteedt de auteur weinig aandacht aan de mogelijkheid dat de mannelijke hoofdpersoon eveneens een ander zou kunnen tegenkomen, waardoor hun samenzijn op losse schroeven zou komen te staan. Die mogelijkheid zou de breekbaarheid van het geheel aantonen en dat negeert de schrijver dus (bewust, lijkt het).

 

Wel maakt Van Dis duidelijk hoe de twee deze constructie laten werken: die valt of staat met de afspraak dat ze ook zaken onbesproken mogen laten. ‘De liefde is als een geloof: hoe meer vragen je stelt, hoe meer je ontrafelt, hoe minder de betovering’, beweert de schrijver. De twee nemen de tijd elkaar steeds beter te leren kennen, pellen elkaar in de loop der jaren laag voor laag voorzichtig af. Van Dis laat die werkwijze klinken als een vrijwillige keuze, maar mij lijkt die ook een praktisch gevolg van het feit dat de personages simpelweg niet al hun tijd en aandacht aan elkaar kunnen besteden. Ze moeten door de omstandigheden hun liefde noodgedwongen in kleine hapjes tot zich nemen.

 

Aanpas aanpas

De vraag ligt voor de hand waarom de ik-figuur zichzelf geen volwaardige relatie gunt. Die verklaring wordt ons opgediend via een terugblik naar diens jonge jaren. ‘Aanpassen was een wachtwoord in mijn jeugd’, legt hij uit. ‘Mijn uit Indië gevluchte ouders en zusters leerden me niet anders dan aanpas aanpas’ (originele cursivering). Bovendien worstelt hij sinds zijn tienertijd met zijn geaardheid: hij voelt zich aangetrokken tot zowel vrouwen als mannen en wordt door zijn hoge stem en verzorgde voorkomen ook door de buitenwereld geregeld voor homoseksueel aangezien. Zijn affaire met Eefje lijkt hem houvast te geven: hij mag dan misschien geregeld op mannen vallen, hij valt ook op deze vrouw.

 

Verder wordt deze affaire neergezet als passend binnen de tijd waarin die – tientallen jaren geleden – begon:

 

We leven in een kuise tijd nu. Jongens douchen in hun onderbroek, jonge vrouwen walgen van overspel en wantrouwen de pil. Maar onze generatie vocht juist tegen opgelegde kuisheid. Wij gooiden na de oorlog de stolp van fatsoen af, dankzij de pil. Wij dansten op de scherven, neukten zonder angst voor de kinderwagen. Vrijheid wilden we, eerlijkheid, gelijkheid. We rekenden af met hypocrisie. We improviseerden, experimenteerden, revolteerden tegen de seksuele codes. Het instituut huwelijk zou uitsterven.

 

Eefje lijkt weinig bij die maatschappelijke bewegingen stil te staan: ze handelt niet volgens bepaalde normen en waarden, maar naar haar eigen behoeftes. Ook van de roddels over haar overspel trekt ze zich niets aan. Wel maakt de naderende dood haar steeds eerlijker: ze durft meer van haar onzekerheden te delen en luistert net zo goed naar die van hem. ‘Aarzelend eerlijk’, zijn ze, ‘in de zwarte contouren van de schemering.’

 

In de coulissen van de werkelijkheid

Meer dan bij wie dan ook lijkt de schrijver binnen deze affaire zichzelf te kunnen zijn – misschien juist omdat hij in de coulissen van de werkelijkheid opereert. Eenzelfde suggestie wordt opgeworpen in De laatste sessie (2025), de nieuwste roman van Saskia de Coster. We zitten in de spreekkamer van therapeut Sophie, met tegenover haar de zeventiger Kristien. In één adem vertelt de cliënt over de affaire die jaren geleden haar gemoed deed opbloeien: de buurvrouw Tove, die zich plotseling aan de voordeur van haar gezinswoning meldde en daarna nooit meer vertrok.

 

Hun dinsdagtripjes naar het zwembad ontaarden al vrij snel in vluchtige sekspartijen in het schoonmaakhok – ervaringen die Kristien bijna haar bewustzijn doen verliezen, zo bezeten raakt ze. ‘Hoe was het mogelijk dat je lichaam enkel een ander lichaam wilde en er dan zo dichtbij was dat het haast pijn deed?’ vraagt ze zich af. Kristien verliest haar interesse in al het andere volledig: haar andere vriendinnen, man en twee kinderen doen er nauwelijks meer toe.

 

Met dat gezin is overigens weinig mis: partner Alex is een ronduit zorgzame en liefdevolle man, en ook op haar zoon en dochter valt weinig aan te merken. Toch is er blijkbaar een deel van Kristien dat zich niet volledig geaccepteerd voelt – dat Tove dat wel doet, lijkt haar aantrekkingskracht te verklaren. Tegelijkertijd is de buurvrouw ronduit verwarrend in haar onbetrouwbaarheid: ze komt nu eens wel, dan weer niet opdagen voor hun dinsdagafspraken, verbergt zich steeds weer achter weinig geloofwaardige migraineaanvallen en wordt ronduit kwaad als Kristien in al haar verliefdheid een verrassingstrip naar Barcelona voor hen heeft gepland.

 

Ziekelijke liefde

De verklaring voor deze wispelturigheid dient zich pas tegen het einde van de roman aan – die ik hier niet uit de doeken zal doen om de leeservaring niet te verpesten, maar die, zo kan ik wel verklappen, veel minder met Kristien te maken heeft dan met therapeut Sophie. De lezer blijft achter met de vraag of Tove zich ooit werkelijk voor Kristien heeft geïnteresseerd en wat zij in Kristien heeft losgemaakt. Roekeloze verliefdheid, lijkt het antwoord te zijn, die Kristien zelfs over het hek van Toves tuin doet klauteren om haar nachtelijk te bespieden. Zulke gevoelens laten zich blijkbaar niet altijd verklaren: ‘Tove had haar gebeten en de huisvrouw was een vampier geworden.’

 

Daarmee schetst De laatste sessie vooral het beeld van overspel als resultaat van ziekelijke liefde, die in de handen van De Coster een duister randje krijgt. ‘Niet enkel in een gothic novel vol vampieren heb je slachtoffers die besmet geraken en gaan ronddolen’, constateert ook therapeut Sophie. ‘Als je zo onder de betovering geraakt, of zo in de macht van iemand bent, dan word je ziek.’

 

De aantrekkingskracht van die benadering als ziekte is dat die een bepaalde willoosheid in zich draagt: de besmette Kristien kan niets doen aan haar uitspattingen, wordt gesuggereerd. Zonder schuldgevoel kan zij ontsnappen aan het kabbelende gezinsleven, totdat zij plotseling weer uit Toves leven wordt geweerd, even plotseling als hun affaire begon.

 

Spanning en geniep

Net als Van Dis kiest De Coster het perspectief van een van de overspeligen, niet van het slachtoffer daarvan. Waar in Alles voor de reis de aantrekkingskracht van het vreemdgaan wordt verklaard vanuit de intrinsieke kwaliteiten van die buitenechtelijke relatie, legt De Coster in De laatste sessie de focus op de aanlokkelijkheid van de spanning en het geniep.

 

Die verklaring koos ze ook al in haar voorlaatste roman Net echt (2023), waarin het jonge echtpaar Max en Manon elkaar langzaam maar zeker kwijtraakt na de verhuizing naar een monumentaal klushuis in de Antwerpse wijk Borgerhout. Waar Max kiest voor een zelfstandig werkbestaan vanuit huis, met meer ruimte voor het opknappen van hun woning en voor de zorg voor hun dochter Noah, stort Manon zich juist op haar job in de buitenwereld. Zo raakt Max in de verleiding om zich in te laten met de buurvrouw, die hij alle hoeken van de kelder laat zien.

 

Elk van de personages in Net echt speelt een rol – de titel van de roman verwijst daarnaar. Max doet zich voor als handige huisman, terwijl hij reparaties aan het huis maandenlang laat liggen. Manon ziet zichzelf graag als oermoeder, terwijl ze veel liever naar de Verenigde Staten zou vertrekken voor een stormachtige carrière. Zo tornen zij beiden aan het ideaalbeeld van het gezin als hoeksteen van de samenleving en Max’ overspel doet daar nog een schepje bovenop.

 

Het huis fungeert in deze roman als een heldere metafoor: hoe meer scheuren in de muren komen, des te meer gebreken vertonen ook de onderlinge relaties binnen het gezin. Net als in De laatste sessie lijken vader, moeder en kind nauwelijks nog oog voor elkaar te hebben – een situatie die de lezer in Net echt door de wisseling in perspectieven van een afstandje kan gadeslaan.

 

Daarbovenop komen nog de zwartgekleurde pagina’s die De Coster toevoegde, waarin zij reflecteert op het autobiografische karakter van de roman: hoe schrijf je over zo’n beladen onderwerp als overspel, dat bij voorkeur onder het tapijt geschoven wordt, uit angst dat de rest van de wereld het zal zien als het symptoom van een slecht onderhouden huwelijk?

 

De Coster gebruikt deze delen ook om het overspel dat zij beschrijft te vergoelijken. ‘Dit is geen verhaal van tekort maar van verlangen’, noteert ze. Net als in De laatste sessie fungeert zo het verliefde gevoel als verklaring voor overspelig handelen – en daarmee lijkt er bijna geen speld tussen te krijgen. Bovendien blijft ze benadrukken dat zij lang niet de enige is die zich ooit door een ander heeft laten verleiden: in de loop van de geschiedenis hebben zich al vele vormen van overspel voorgedaan en zij is nu degene die het thema in alle eerlijkheid optekent.

 

Vrijpartijen en dickpics

Ook in het oeuvre van Laura van der Haar spelen de uitdagingen van het liefdesspel een belangrijke rol. Waar zij in haar recentste boek Verkeerd verbonden (2025) de aandacht richt op het ongemak van daten in een tijdperk waarin niemand zich lijkt te willen binden, hield ze zich in haar roman De kuil (2023) bezig met de invloed van overspel op een jong stel dat zich juist wel aan de heteroseksuele normen probeert te houden, maar dreigt te worden meegezogen in de sleur van stabiliteit.

 

Net als in Net echt ligt het perspectief bij beide geliefden, die elkaar uit het oog dreigen te verliezen wanneer Lennart, die zijn dagen slijt op een saai kantoor, in de ban raakt van het raadsel waarom zijn in een coma geraakte zusje uit een boom sprong. Ook Kasja’s leven is stuurloos: ze weet niet wat ze wil studeren en werkt in de tussentijd als serveerster bij een pannenkoekenrestaurant, wat onvoldoende van haar mentale capaciteiten vraagt.

 

Daar, op het terras tussen de stroop en suiker, wordt ze opgepikt door vastgoedontwikkelaar Charles (spreek uit: Sjarrel). Op het eerste gezicht lijkt het niet bepaald een match: hij is een stuk ouder, oogt wat ordinair met zijn strakke pak en rinkelende armbanden en heeft bovendien een zongebruinde vrouw en een kind aan zijn arm. Toch gaat Kasja een stomende affaire met hem aan, stiekeme vrijpartijen in een leegstaand boshuisje en hitsige Telegramconversaties, dickpics incluis.

 

Bekend terrein

Het contrast moge duidelijk zijn: Lennart past weliswaar veel beter bij haar, maar is bekend terrein. Charles ziet haar en maakt haar via zijn eigen blik tot een aantrekkelijk wezen, dat hij toespreekt met woorden als ‘brutaaltje’, ‘meisje’ en later ook ‘poppetje’ – een schril contrast met het koosnaampje ‘poepzak’ dat Lennart haar standaard toewerpt. Bovendien geeft Charles haar met zijn dwingende ideeën over hun affaire de handvatten voor haar dagelijkse handelen die haar moeder haar met haar eeuwige onzekerheid nooit heeft kunnen bieden.

 

Net als in Net echt heeft de lezer het overzicht over de situatie dat de afzonderlijke personages vanuit hun eigen perspectief niet hebben. Zo ziet de lezer bijvoorbeeld dat ze nauwelijks praten over wat hen bezighoudt, terwijl ze wel degelijk van elkaar houden, er soortgelijke hobby’s op nahouden en genieten van elkaars gezelschap. Tegelijkertijd staat de bestendigheid van die relatie ook symbool voor het burgerlijke, dat voor Kasja hinderlijk verbonden is aan haar immer falende studiezoektocht.

 

Interessant genoeg laat Van der Haar de twee elkaar tijdens hun dwalingen op dezelfde plek weer tegenkomen. Het huisje waar Kasja en Charles elkaar ontmoeten, bevindt zich op slechts enkele honderden meters afstand van de plek waar Lennart met een schop in de hand op zoek gaat naar het antwoord op de vraag waarom zijn zusje uit een boom sprong. Dat levert een mogelijk optimistische boodschap op: soms moet je een omzwerving maken om je partner opnieuw te kunnen waarderen, mits je de relatie beiden nog een kans wilt geven. Tegelijkertijd loopt De kuil – zonder te veel te willen verklappen – niet voor alle personages goed af, en houdt de affaire geen stand.

 

Geen toekomstperspectief

Ook Malou Holshuijsen waagt zich in haar tweede roman Alleen en duizend mensen (2025) aan het thema overspel. Zij kiest het perspectief van de jonge radioredacteur Rivka, die tijdens een uitzending van het populaire nachtprogramma Bodemdrift, dat standaard wordt opgenomen in een Amsterdamse hotelkamer, toeziet hoe de gast van die avond uit het raam springt en te pletter valt. In de loop van de roman wordt duidelijk dat ze met deze gast, de landelijk bekende cabaretier Leopold Harmonie, een innige verhouding had. Die relatie moet voor de buitenwereld strikt geheim blijven – niet alleen omdat paparazziploegen hem maar al te graag achtervolgen, maar ook omdat hij al twintig jaar getrouwd is.

 

Alleen en duizend mensen laat zich voortstuwen door een aantal prangende vragen. Wat bewoog Leopold tot deze suïcidepoging? Waarom merkte Rivka niets van zijn neerslachtigheid? En waarom laat zij zich in een positie duwen die haar geen enkel toekomstperspectief biedt? Herhaaldelijk laat Leopold haar weten dat hij zijn vrouw nooit zal verlaten.

 

Die volharding van Rivka laat zich verklaren door de ingewikkelde relatie die zij met haar ouders onderhoudt. Haar vader en moeder zijn enkele jaren geleden van elkaar gescheiden, waarna haar vader voor een nieuwe partner koos. Rivka’s moeder kan dat nog steeds maar lastig verkroppen en richt haar liefdespijlen des te meer op haar dochter. Van een goed gesprek over de verstikking die dit oplevert, komt het helaas niet.

 

Niemand lijkt werkelijk oog te hebben voor Rivka’s welzijn: haar moeder is meer bezig met haar eigen behoeften dan met die van haar dochter, haar vader maakt met zijn nieuwe vrouw de reis naar Amerika die hij eigenlijk aan Rivka had beloofd en ook binnen haar ambitieuze baan mag ze geen steken laten vallen. Juist die situatie lijkt haar soms te dwingen tot weinig volwassen gedrag: ze ontwijkt de confrontatie met haar moeder en spoelt de dag voor haar vaders vertrek naar Amerika het paspoort van zijn geliefde door het riool.

 

Weinig zelfreflectie

Ook in haar liefdesleven stelt ze zich soms kinderlijk op. Al voor ze haar affaire met Leopold begon, logde Rivka geregeld in bij een sekslijn waar mannen haar smeken om mondeling door haar te worden vernederd. Ook in haar heimelijke relatie probeert ze controle uit te oefenen, bijvoorbeeld door op plekken op te duiken waar de cabaretier een voorstelling speelt. Zelfs wanneer hij haar herhaaldelijk afwijst, accepteert ze geen nee – op het drammerige af.

 

Rivka toont weinig reflectie of zelfinzicht, waardoor haar denken en handelen zich gedurende de roman maar nauwelijks ontwikkelen. Ook kun je je afvragen welke signalen van de depressieve Leopold zij tijdens hun samenzijn heeft gemist. Juist dat gebrek aan ontwikkeling lijkt de aantrekkingskracht van de affaire. ‘We leefden nergens naartoe, zoals onze wandelingen, die ook geen eindpunt kenden’, legt Rivka aan de lezer uit. Juist die uitzichtloosheid geeft haar blijkbaar veiligheid: van haar wordt niets verwacht.

 

Pas tegen het einde van de roman komt Rivka tot het inzicht dat ze in haar affaire zoekt naar een opvulling van de leegte die haar moeder met haar gebrek aan oprechte interesse achterlaat – een inzicht dat bij de gemiddelde lezer hoogstwaarschijnlijk al eerder was ingedaald. Net als in de romans van Van Dis en Van der Haar is een jeugdig gemis de reden dat het hoofdpersonage tot overspel overgaat en realiseert de lezer zich dit vaak eerder dan het personage zelf.

 

Overspel als symptoom

Bovengenoemde romans laten stuk voor stuk zien dat overspel zelden een op zichzelf staande daad is. Veel vaker is vreemdgaan het symptoom van iets wat al niet goed zat: men heeft een bepaald jeugdtrauma nog niet goed in de ogen gekeken, heeft last van een gebrek aan erkenning of zelfvertrouwen of ervaart een existentiële leegte of richtingloosheid. Daarbij wordt het huwelijk of de vaste relatie zelden neergezet als iets verkeerds: de beschreven affaires bestaan vaak juist naast een band die wordt gekenmerkt door zorgzaamheid, stabiliteit en liefde.

 

Een andere opvallende overeenkomst schuilt in het perspectief: dat is nooit dat van de bedrogene, maar altijd van degene die ontrouw is of een ander tot ontrouw brengt. Daardoor wordt dit overspel invoelbaar en vaak zelfs gerechtvaardigd en verschuift de emotionele focus van woede en verdriet naar spanning en genot. Steeds wint het verlangen het van de verantwoordelijkheid.

 

De bedrogen partner blijft in de genoemde romans vaak op de achtergrond – soms krijgt die zelfs niet eens een naam. Wanneer deze personages elkaar wel tegenkomen, levert dat vooral verwarring op: de ander blijkt zelden de duistere figuur die men had verwacht. Zo ontwikkelt Rivka in Alleen en duizend mensen zelfs een vriendschappelijke band met Leopolds weduwe wanneer zij wordt uitgenodigd in de hotelkamer om haar verhaal te komen doen, en vinden Alex en Tove in De laatste sessie elkaar ronduit sympathiek.

 

Geen eindstation

Voor de overspelige personages is de affaire nooit een eindstation: ze voelen zich juist aangetrokken tot de liminale ruimte die ontstaat, waarin de verantwoordelijkheden van het dagelijks leven – en de bijbehorende maatschappelijke rollen als moeder of partner – tijdelijk op een afstand worden gehouden. Die afstand is geregeld ook fysiek: men vlucht gezamenlijk naar het zwembad (De laatste sessie), de kelder (Net echt), een buitenhuisje (De kuil) of buitenlandse oorden (Alles voor de reis). Werk en gezin lijken daar ver weg, maar dringen zich bij thuiskomst vaak des te harder op.

 

De persoon op wie dat verlangen zich richt, ligt niet altijd voor de hand: die is vele jaren ouder (Alleen en duizend mensen), emotioneel zeer gesloten (De laatste sessie) of zelfs ronduit onaantrekkelijk (De kuil). Dit onderstreept nog maar eens de gedachte dat het in de beschreven situaties niet zozeer gaat om de aantrekkingskracht van de ander, maar van de ontsnapping aan het dagelijks leven dat diegene biedt.

 

Ook valt het op dat de beschreven romans het overspel nauwelijks problematiseren. Eerder presenteren ze de verlangens van de personages als authentiek en onweerlegbaar: deze gevoelens zijn simpelweg te bijzonder om te onderdrukken. Van schuldgevoel is nauwelijks sprake, en als het er is, wordt het even gemakkelijk weer weggeredeneerd.

 

Weg met de monogamie

De besproken romans besteden weinig expliciete aandacht aan de vraag of monogamie voor de hedendaagse mens nog wel haalbaar is. Toch vraag je je dat als lezer na het dichtslaan van deze boeken af, zo lastig lijkt het alle behoeften bij één partner vervuld te krijgen: het huiselijke en het spannende, het rituele en het ontregelende, het gelijksoortige en het verrassende.

 

Bovendien lijkt de mens niet bepaald gemaakt om diens emoties te negeren, zeker niet in een tijd waarin het gevoel als belangrijke raadgever wordt gezien. ‘Het verbod draagt de overtreding in zich’, schrijft De Coster in De laatste sessie: als we de teugels van de liefde te strak aanhalen, zijn onze relaties tot falen gedoemd – zeker als die teugels ons in een keurslijf dwingen, zoals dat met name bij vrouwen nog vaak het geval is.

 

Hoe idyllisch de affaire vaak ook wordt afgeschilderd, uiteindelijk krijgt die in geen van de verhalen het eeuwige leven: één van beide overspeligen beëindigt de relatie of komt zelfs – opvallend vaak – te overlijden. Soms pakken de oorspronkelijke geliefden hun relatie na deze intriges weer op, gebutst of juist met frisse moed. Regelmatig blijkt op zo’n moment dat fatsoenlijke communicatie een hoop had kunnen oplossen: wanneer zij hun gevoelens van gemis hadden uitgesproken, had het wellicht niet zo uit de hand hoeven lopen.

 

Zo fungeert overspel in deze romans niet alleen als narratieve motor die de plot in beweging zet en spanning creëert, ook is het een psychologisch instrument dat onverwerkte trauma’s, angsten en verlangens naar boven brengt. Daarnaast biedt deze literatuur welkome kritiek op het ideaal van het stabiele kerngezin dat boven alles in stand moet worden gehouden. Helaas is die situatie vaak maar tijdelijk: een affaire mag dan een prettige roes brengen, een duurzame uitweg blijkt het lang niet altijd.

 

Dit essay van Anne Louïse van den Dool gaat over de volgende werken:

 

Alles voor de reis
2026
Adriaan van Dis
Atlas Contact
208 pagina’s
ISBN
9789025478612

Net echt
2023
Saskia de Coster
Das Mag
277 pagina’s
ISBN
9789493320253

De laatste sessie
2025
Saskia de Coster
Borgerhoff & Lamberigts
153 pagina’s
ISBN
9789493429857

De kuil
2023
Laura van der Haar
De Bezige Bij
296 pagina’s
ISBN
9789403182018

Alleen en duizend mensen
2023
Malou Holshuijsen
Ambo|Anthos
264 pagina’s
ISBN
9789026358975

Geplaatst op 11/05/2026

Tags: Malou Holshuijsen, overspel, relatiebreuk, relaties

Categorie: Essays

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.