Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Een turf, een pil van bijna anderhalve kilo, die je dus niet in één keer doorslikt, maar bij voorkeur inneemt in overzichtelijke doses, zo niet dreigt indigestie. Zeven jaar heeft literair journalist Dirk Leyman (1965) aan het boek gewerkt, en hij had wellicht nog jaren door kunnen gaan, maar hij bekent meteen in zijn inleiding dat hij zich uit noodzaak heeft beperkt tot het twintigste-eeuwse Parijs, met een enkele zijsprong naar de negentiende eeuw (Baudelaire) en de eenentwintigste (Houellebecq). In het spoor van een hele rist schrijvers, die samen een caleidoscopisch beeld bieden van de literaire rijkdom van de Lichtstad, heeft hij Parijs in alle richtingen doorkruist, van het kloppende hart op de eilanden in de Seine tot de wat rustigere banlieues aan de rand. Hij geeft meteen toe dat hij geen volledigheid heeft nagestreefd en dat zijn voorstelling van het literaire Parijs bijgevolg hiaten vertoont. Hoe dan ook vult Passage Parijs zelf een hiaat, is het een uitnodiging om Parijs te verkennen aan de hand van auteurs die er hun stempel hebben gedrukt of wier werk doordrongen raakte van ‘l’esprit de Paris’.
Parijs, kloppend hart van de literatuur
De meerduidige titel passage dekt diverse ladingen. Om te beginnen is een ‘passage’ uit een boek een tekstfragment. Echte fragmenten krijgen we mondjesmaat geserveerd, Leyman beperkt zich (noodgedwongen) tot korte citaten en laat die gepaard gaan met referenties aan een bepaald boek van een bepaalde schrijver. ‘Passage’ is ook verkeer, en niet te tellen zijn de auteurs die elkaar kortstondig of langduriger kruisten in Parijs, die er even bleven hangen en daarna andere oorden opzochten, of die zich er definitief installeerden maar in sommige gevallen voortdurend verhuisden binnen de grenzen van de stad. Hij bespreekt auteurs die zich zo hebben gelaafd aan de sfeer in Parijs dat hun oeuvre er doortrokken van raakte, maar net zo goed schrijvers wier werk, ondanks soms jarenlang verblijf in de Franse hoofdstad, weinig sporen daarvan vertoonde. Ten slotte zijn er de passages, de overdekte galerijen, waar in de negentiende eeuw de burgerij toevlucht zocht om niet door de modder te hoeven strompelen, want Parijs is lang een smerige stad gebleven. Leyman laat zien dat ook deze passages een rol speelden in het literaire leven, vooral toen het surrealisme hoogtij vierde.
Passage Parijs bestaat uit tweeëntwintig toegankelijke essayistische, aan één of meerdere auteurs gewijde hoofdstukken en acht ‘parcours’, intermezzo’s waarin een bepaalde plek op de voorgrond treedt. Het boek vangt aan met, hoe zou het anders kunnen, Patrick Modiano, de schrijvende flaneur die in elk van zijn romans bepaalde buurten van zijn stad onder de loep neemt en in zijn eentje als een soort Guide du routard van het Paname aan de Seine kan gelden. Leyman weet op een boeiende, intelligente manier het schrijverschap van de Nobelprijswinnaar te verweven met de mens Modiano, wiens boeken steevast baden in een nostalgische sfeer.
Modiano houdt van Parijs, wat niet kan worden gezegd van Baudelaire, die nogal tekeer kon gaan tegen zijn stad, er een haat-liefdeverhouding tegenover koesterde en hoe dan ook de grauwe voorsteden verkoos boven het chiquere centrum. Maar ja, Baudelaire en fulmineren, het was de aard van het beestje, je hoeft er zijn scheldtirades tegen België en met name Brussel maar op na te lezen en je ziet meteen dat kankeren zijn geliefkoosde bezigheid was. Radicaal tegengesteld aan het Baudelaire-hoofdstuk is het aan Proust gewijde abecedarium. Leyman verkoos hier werk en leven van de auteur van de Recherche te vatten in alfabetische trefwoorden (een procedé dat hij ook toepast bij Georges Perec en Georges Simenon). Geen achterbuurten bij Proust, maar de chique wijken van het zestiende arrondissement, de Boulevard Haussman, het Ritz, de Opéra… Het is een makkelijke manier om een auteur te benaderen over wie boekenkasten vol werden geschreven; we vernemen veel over de plekken waar hij heeft gewoond, die hij bezocht, maar sommige te anekdotische, niet zo relevante weetjes, voegen weinig toe en geven je het gevoel wat te verzuipen in een zee van informatie. Een redacteur had moeten ingrijpen wanneer de auteur in zijn enthousiasme moeite had om zich in te tomen. Het hoofdstuk is op deze manier te biografisch van insteek geworden, te weinig literair, wat een beetje jammer is, aangezien Proust bij uitstek als stilist en literator eeuwige roem heeft verworven. Hetzelfde geldt enigszins voor het Montmartre-hoofdstuk, waarin het gaat over Apollinaire, Tzara, Céline, interessante schrijvers over wie we hier vooral biografische en buitenliteraire informatie krijgen.
Over de surrealisten schetst Leyman een bevattelijk beeld: hij heeft het over het ontstaan van de groep, de vriendschappen en ruzies tussen de leden, het Manifest, de afscheuringen, zonder daarbij hun favoriete technieken (écriture automatique en cadavre exquis bijvoorbeeld) uit het oog te verliezen. En hij neemt de lezer op sleeptouw aan de hand van Louis Aragons Paysan de Paris (1926), André Bretons Nadja (1927) en Philippe Soupaults Les Dernières nuits de Paris (1928), zodat die belandt bij de Buttes Chaumont, maar net zo goed in Saint-Germain en café de Flore, of in de thans verdwenen Passage de l’Opéra.
In Montparnasse, thuishaven van de Amerikaanse kolonie met onder anderen Gertrude Stein, Ernest Hemingway, Ezra Pound, Scott Fizgerald, T.S. Eliot en John Steinbeck, maken we kennis met de eerste vrouwelijke auteur aan wie een hoofdstuk wordt gewijd. Het betreft de Britse, op het Caribische eiland geboren Jean Rhys, die laattijdige roem verwierf met Wide Sargasso Sea (1966), maar tussen 1927 en1939 vier boeken wijdde aan Parijs: The Left Bank and Other Stories, Quartet, After Leaving Mr Mackenzie en Good Morning, Midnight. In een onderkoelde taal wekt ze schimmige figuren tot leven, die een bestaan in de marge leiden. Leyman vermeldt dat er weinig tastbare sporen zijn overgebleven van haar passage in Parijs, maar dat lijkt een lot dat wel meer schrijvende vrouwen uit die periode beschoren was. Nog een buitenlandse schrijvende vrouw was Janet Flanner, een Amerikaanse die vijftig jaar lang onder het pseudoniem Genêt een tweewekelijkse ‘Letter from Paris’ schreef voor The New Yorker en die zich opwerkte van bittere armoede tot een succesvol societybestaan.
Trouwens, heel wat auteurs die in Parijs aanbelandden, hebben er geldgebrek geleden. De meesten konden evenwel rekenen op de solidariteit van hun fortuinlijker landgenoten. Dat gold voor de Egyptisch-Franse Albert Cossery, die in zijn Parijse tijd altijd in hotel La Louisiana verbleef, maar slechts één maatpak bezat. George Orwell werkte dan weer als afwasser in een luxehotel aan de Champs-Elysées, terwijl Heny Miller liever in louche herbergen van volkse wijken en hoerenbuurten vertoefde, ver van de Amerikaanse kolonie van Montparnasse door wie hij zich, als de nood nijpend werd, toch liet sponseren. Ook Samuel Beckett woonde jarenlang in de Lichtstad, een halve eeuw zelfs, hoewel aan dat verblijf vroegtijdig een eind had kunnen komen door de mesaanval die de Ierse meester van het absurdisme in januari 1938 gelukkig overleefde. Ook James Baldwin en Paul Auster hebben delen van hun leven doorgebracht in Parijs, en het Franse volet van hun oeuvre wordt dan ook grondig belicht.
Bij de cartografen van Parijs kan uiteraard niet voorbij worden gegaan aan beide Georges, Perec en Simenon, die zoals hierboven al vermeld allebei een abecedarium kregen toegewezen. Simenon, beroemd vanwege zijn commissaris Maigret (en wellicht vooral de verfilmingen ervan) en berucht vanwege zijn onlesbare seksuele honger. Als auteur werd de Luikenaar lange tijd onderschat, maar zijn psychologische romans werden al vroeg geprezen door onder anderen André Gide en Marcel Aymé. Terwijl commissaris Maigret vanuit le Quai des Orfèvres de twintig arrondissementen en hun periferie verkende, was Perec ‘de etnograaf van zijn eigen habitat’, die hij zijn leven lang zou ordenen en structureren – om de hiaten in zijn eigen bestaan te bezweren. Oulipo, de literaire beweging die bij het schrijven uitging van zelfgekozen beperkingen, vormde daar een ideaal instrument toe, en het werk van Perec (La vie mode emploi over het leven van alle bewoners van één appartementsgebouw, La disparition, zijn roman zonder de letter -e, Les revenentes, een roman met alleen de klinker -e) geldt, samen met dat van Raymond Queneau (auteur van de Exercices de style en de Cent mille milliards de poèmes) als uithangbord van het Ouvroir de Littérature Potentielle. Dat tot op heden overigens nog steeds actief is – denk aan het werk van Prix Goncourt-winnaar Hervé Le Tellier.
Emblematische schrijvers, emblematische plekken
Over al die in of over Parijs schrijvende auteurs heeft Leyman heel interessante informatie opgeduikeld, die hij op een bevlogen manier weet over te brengen, zo enthousiast dat je soms naar adem moet happen. Dat hij zowel Beckett als Orwell de revue laat passeren, die weliswaar in Parijs hebben gewoond, maar wier werk weinig of geen echo’s bevat van de stad, valt te rechtvaardigen: het gaat hier om twee reuzen, die hoe dan ook een bepalende invloed hebben uitgeoefend op de moderne literatuur. Hetzelfde kan worden gezegd over de aan Marguerite Yourcenar en aan Roland Barthes gewijde hoofdstukken: niet hun werk is met Parijs verbonden, wel hun personage – dat van Barthes hoe dan ook, ondanks zijn ongelukkige dood, terwijl Yourcenar als eerste vrouw aan de Académie Française een voortrekkersrol heeft gespeeld en een eind heeft gemaakt aan de openlijke misogynie van heel wat ‘Immortels’.
Verhoudingsgewijs valt op dat Passage Parijs weinig vrouwelijke schrijvers bevat. Ja, ik vermeldde Flanner en Rhys al, ook Colette komt uitvoerig aan bod, Anaïs Nin mag mee oplopen met Henry Miller, een paar schrijfsters komen even om de hoek kijken, maar kregen geen apart hoofdstuk toebedeeld (Stein en Toklas, Nin, Simone de Beauvoir…), en ja ik weet het, het onderwerp was schier onuitputtelijk, er dienden keuzen gemaakt te worden, maar dat society-girl Françoise Sagan (in mijn ogen veredelde chicklit) wél een twintigtal pagina’s krijgt en er nergens wordt gerept over Nathalie Sarraute of Marguerite Duras, twee eminente vertegenwoordigsters van de nouveau roman (een stroming die eveneens zo goed als afwezig blijft, ondanks haar tot op heden doorwerkende invloed in de letterenrepubliek), of dat er geen spoor te vinden is van Nobelprijswinnares Annie Ernaux, of van Christine Angot: dat vraagt om een rechtzetting, een aanvulling in een nieuwe editie (paperback bij voorkeur, met licht papier), of beter nog, een apart boek.
Heel geslaagd ten slotte zijn de acht parcoursen die als tussendoortjes werden uitgestrooid over het boek: Leyman haalt er emblematische Parijse plekken voor het voetlicht, die ontelbare keren bezongen en beschreven werden door auteurs van vroeger en nu. De helft ervan handelt over toeristische trekpleisters als de Eiffeltoren, de Champs-Elysées, het Louvre en ten slotte het Gare du Nord, dat voor al wie Parijs vanuit het Noorden per trein binnenrijdt de eerste kennismaking met de lichtstad vormt. De resterende itineraria zijn minder bekend. Ze brengen je naar Pension Orfilla, waar de Zweed August Strindberg een psychose kreeg, wat nooit meer is goedgekomen, of ze voeren je regelrecht naar de hel, L’Enfer uit de Bibliothèque Nationale de France, waar alle ooit verboden, gecensureerde of scabreuze geschriften worden bewaard die de Franse literatuur rijk is. Parcours 5 geeft je zin langs te lopen bij Boris Vian en Jacques Prévert, die in de Cité Véron buren waren van elkaar en als satrapen heersten over de steeg, of in de Rue Gît-le-Coeur op zoek te gaan naar het Beat Hotel (tegenwoordig Relais du Vieux Paris) en zijn bewogen geschiedenis, waar onder anderen Burroughs en Ginsberg overnachtten. En hierbij aansluitend het hoofdstuk over de Parijse Passages, aanvankelijk in de negentiende eeuw pleisterplaatsen voor de burgerij, die met de opkomst van de grands magasins in verval raakten of verdwenen, vervolgens weer in ere werden hersteld en aan de basis lagen van Walter Benjamins onvoltooide Das Passagenwerk.
Handig is ook dat elk hoofdstuk eindigt met een Carnet d’Adresses, zodat je makkelijk zelf in het voetspoor kunt treden van een schrijver en de oorden bezoeken waar die heeft gewoond, binnen kunt lopen in de cafés en restaurants waar hij of zij over de vloer kwam. En wie al het fraais wil gaan lezen dat hier beschreven wordt: Leyman heeft ook een lijst toegevoegd met de beste boekhandels in de Lichtstad. Passage Parijs is ideale lectuur om uw volgende reis naar de Franse hoofdstad voor te bereiden.
Een recensie door Katelijne De Vuyst over Passage Parijs van Dirk Leyman.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.