Proza, Recensies

Verweven met elkaar en het water

Hier komen wij vandaan

Leonieke Baerwaldt

Wie aan sprookjes denkt, denkt al gauw aan mannen als Charles Perault, de gebroeders Grimm en Hans Christian Andersen. Zij worden vaak beschouwd als ‘de auteurs’ van sprookjes als ‘Assepoester’, ‘Roodkapje’ en ‘De kleine zeemeermin’. Overigens ten onrechte, zo stelde de Britse historicus en literatuurwetenschapper Maria Warner al in de jaren negentig met haar baanbrekende boek From the Beast to the Blonde: On Fairy Tales and Their Tellers (1994). Aan de hand van verschillende sprookjes laat Warner zien dat de vrouw de voornaamste verteller van het sprookje is. Niet alleen waren het de kindermeisjes die aan Perault, Grimm en Andersen die sprookjes vertelden, in menig literair sprookje is er ook nog eens een oude vrouw die zich tot een jonger publiek richt en hun een wijze les leert. Het sprookje is daarmee een verlengstuk van de opvoeding, een mogelijkheid voor de (gemarginaliseerde) vrouw om haar ideeën over en kritiek op de maatschappij als een zaadje bij andere vrouwen en/of de nieuwe generatie te planten.

Spinning tales

De verspreiding van sprookjes door vrouwen gebeurde stiekem. Al ten tijde van de Grieken mochten vrouwen amper tot niet in het openbaar spreken. Zij hielden zich onder meer bezig met het spinnen van kleden. Volgens Warner konden vrouwen tijdens die werkzaamheid alsnog een verhaal ‘vertellen’ door het verhaal op het kleed te weven. Warner noemt het letterlijk ‘spinning a tale’. Wat haar betreft vereisen spinnen en verhalen vertellen dezelfde technieken, zoals herhalen, structuren en samenvoegen. Om de monotone huishoudelijke taken enigszins levendig te houden, vertelden de vrouwen elkaar verhalen. Daarin deelden ze onderling ervaringen en lessen. Vaak ‘verweefden’ ze ook nog eens hun eigen ervaringen met die van hun personages, waardoor weven en verhalen vertellen op verschillende manieren met elkaar in verband stonden.

Het debuut Hier komen wij vandaan van Leonieke Baerwaldt (1985) borduurt sterk op deze premisses voort. In de roman speelt allereerst een vrouwelijke verteller een belangrijke rol. Zoals de titel al enigszins prijsgeeft, gaat het om een verhaal van een moeder die aan haar dochter vertelt wat hun oorsprong is. Daarbij leert de moeder de dochter verschillende levenslessen. Bovendien heeft de roman wat structuur en compositie betreft veel weg van een weefkleed. Baerwaldt zet verschillende verhaallijnen in, springt door de tijd, maar knoopt uiteindelijk alles tot één geheel. Goed, het is misschien niet zo strak verweven als het ‘Tapijt van Bayeux’, maar de originaliteit en kwetsbaarheid waarmee Baerwaldt het sprookje en de hedendaagse wereld verbindt valt te prijzen.

 Een vervolg op allerhande sprookjes en legendes

Hier komen wij vandaan is een combinatie van een bewerking van én een vervolg op sprookjes en legendes als ‘Ondine’, ‘De kleine zeemeermin’ en ‘Van de visser en zijn vrouw. Wat als de kleine zeemeermin haar stem voor benen had geruild, maar eenmaal aan land niet die geliefde prins had gevonden? Wat als ze in plaats daarvan werd gevonden door een kinderloze visser en zijn vrouw? Wat als ze een dochter kreeg en samen met haar moest overleven in de harde (industriële) mensenwereld? Die vragen verweeft Baerwaldt met elkaar. Het verhaal begint met het sprookje van de kleine zeemeermin – al stelt Maria Warner dat er moeilijk over ‘het’ sprookje gesproken kan worden (van één verhaal circuleerden immers verschillende versies). In Hier komen wij vandaan wil een naamloze zeemeermin naar het bovenland. Stuk voor stuk waarschuwen haar zussen haar voor de harde buitenwereld en de inwoners daarboven (‘Mensen zijn smerig’). ‘Er valt daar geen ster meer te bekennen,’ zeggen ze, alsof ze daarmee willen benadrukken hoe leeg de wereld nu is. Toch wil de zeemeermin naar het land.

Na deze introductie zet Baerwaldt het lijntje van Loek en Brenda uit. Dit koppel wil zich vestigen op een verlaten terrein, ‘tussen de benen van een industrieterrein en een waterweg die uitkwam in zee’ en in de buurt van ‘een vuilstortplaats, een afvalverwerkingsbedrijf en een grote chemische fabriek’. Het wordt direct duidelijk dat de mens met zijn consumptiedrang de aarde vrijwel heeft uitgehold:

Soms dreven er plotseling vissen omhoog in de sloten en kanalen, hun bleke, bolle buiken als een onheilspellend voorteken. Maar Loek en Brenda hadden ergere dingen meegemaakt. Ze wilden opnieuw beginnen, ver weg van de levens die ze hadden geleid, de schulden die uitstonden en de mensen die ze waren geweest.

Als een hedendaagse Adam en Eva willen zij vluchten voor de zonden die ze hebben begaan en beginnen in een niemandsland aan een nieuw bestaan. Het water speelt daarbij een cruciale, of – zoals Baerwaldt helaas al vroeg prijsgeeft – zelfs een onheilspellende rol. In de buurt van al dat water is de grond vruchtbaar. Brenda zelf daarentegen kan tot haar verdriet geen kind krijgen. Een nieuw, veilig bestaan met z’n tweeën is dan ook niet genoeg; Brenda wil een kind, zelfs als het niet van haarzelf is. Wanneer die optie zich via het water aandient, brokkelt hun geluk steeds verder af.

Daarna doen een naamloze moeder en haar dochter Ondine hun intrede. Vanuit het perspectief van de elfjarige Ondine blijkt al gauw dat er iets aan beiden mankeert. Zo ziet Ondine er ziekelijk uit en is ze geobsedeerd door water en vissen. Haar moeder heeft op haar beurt bijzondere littekens achter haar oren en ligt het liefst de hele dag in bad. Daar wordt ze weer zichzelf. De moeder is in dit geval de kleine zeemeermin, jaren later. Haar aardse bestaan is inmiddels allerminst sprookjesachtig. Haar lichaam, dat niet gewend is aan het landklimaat, heeft constant water nodig. Daarbij heeft ze haar sprookjesprins nooit ontmoet en is ze (door wie en hoe wordt later duidelijk) zwanger geraakt van Ondine. Dit alles maakt haar tragisch en – hoe paradoxaal het ook klinkt – menselijk. Het is op een treurige manier ironisch: ze heeft de zee verlaten, maar aan land staat het water haar tot aan de lippen. Haar zoektocht naar die prins, naar liefde, wordt belemmerd door een veel praktischere zoektocht naar onderdak en water. Koste wat kost probeert ze met haar dochter te overleven. Daarbij paait ze verschillende mensen – vooral mannen – voor een tijdelijk onderkomen. Ze lijkt gewiekst en de mannen goed om haar vinger te winden, maar aan het einde van de rekening is zij alsnog afhankelijk van hen en niet andersom. Net als veel vrouwelijke sprookjesfiguren uit de werken van Perault, Grimm en Andersen wordt in dit debuut het geluk en welzijn van de zeemeermin bepaald door een man. Ach, wat zou het mooi zijn als de rollen in dit hedendaags sprookje andersom waren geweest! Echter, het feit dat ook nu de vrouw ondergeschikt is aan het patriarchaat, maakt het verhaal des te tragischer.

Dan is er tot slot het verhaal over de simpele maar sympathieke veertigjarige fabrieksarbeider Alex, die ‘werkte in een fabriek en woonde bij zijn moeder die voor hem kookte en de was deed’. Alleen al deze introductie, geschreven in een wat zakelijke, bijna alwetende stijl, maakt van Alex een hedendaags sprookjesfiguur. Een Sjaak en de bonenstaak 2.0. Toegegeven, Alex is welgestelder dan Sjaak uit het sprookje, maar de figuren hebben twee dingen gemeen: ze wonen allebei als vrijgezel bij hun oude moeder en ze willen op materieel vlak steeds meer. Waar Sjaak over de rug van de reus naar rijkdom streeft, wil Alex zoveel mogelijk aquaria. Wanneer hij op zijn werk door een ongeluk zijn hand verbrijzelt en zijn moeder steeds meer aftakelt, stort zijn wereld langzaam in. Hij kan noch voor zichzelf noch voor zijn moeder zorgen. Steeds meer wordt hij afhankelijk van anderen. Dan doet de volwassen kleine zeemeermin haar intrede.

 Water tussen droom en daad

Bij alle personages speelt water dus een cruciale rol. Het fungeert als een medium tussen de realiteit en de verlangens van de personages. Ze streven hun dromen na, maar stuiten al gauw op de praktische bezwaren, met als gevolg dat ze amper hun hoofd boven water weten te houden. Hun situaties doen denken aan een zin uit de musical Into the Woods (1986) van Stephen Sondheim en James Lapine, waarin eveneens allerlei sprookjes met elkaar worden verenigd. Daarin zegt de Heks als wijze oude vrouw: ‘Sometimes the things you must wish for, are not to be touched.’ Dat geldt ook voor de moderne sprookjesfiguren in Hier komen wij vandaan. Ze willen veel, vaak iets waar ze nog niet klaar voor zijn. Hun verlangens gaan uiteindelijk ten koste van hun geluk.

Het water fungeert daarbij als dunne maar machtige scheiding tussen die droom en daad. Het water is zelfs zo’n belangrijk motief, dat het gaandeweg steeds meer lijkt of het bovenland de onderwaterwereld wordt. Dat is een mooie vondst. Door hun (vaak foute) keuzes laten de personages zich, al dan niet onbewust, meevoeren met de onderstromen van hun bestaan, onomkeerbaar ver de diepte in. Uiteindelijk leven ze alsof ze zwemmen. Loek en Brenda’s bestaan voelt steeds meer ‘als een moeras’. De relatie tussen Ondine en haar moeder lijkt op den duur op die van de Barbeelvissen, die hun eigen kroost opeten. Ook Alex verzuipt steeds meer in zijn bestaan: om niet aan zijn problemen te hoeven denken, zet hij het constant op een zuipen.

Een sprookjesachtige klimaatroman

Zo sterk kan water – of in het algemeen: natuur – zijn. Bijzonder krachtig aan de roman is niet alleen hoe Baerwaldt deze zonderlingen op sprookjesachtige wijze met elkaar verweeft, maar daarbij eveneens inspeelt op de actualiteit. Naast een bewerking van allerhande legendes, is Hier komen wij vandaan tegelijkertijd een klimaatroman. De zussen van de kleine zeemeermin zeiden het al: er is bijna geen ster aan de lucht. De aarde is uitgehold. Door haar menselijke eigenschappen toe te kennen, maakt Baerwaldt van de aarde een metapersonage. Zo bevindt de natuur zich ‘op een omslagpunt. Van groen en verzadigd naar dor en te ver gegist. Van overvloedig naar brak en uitgemergeld.’ De zee is leeg, vissen komen er nauwelijks nog voor. Alleen kunstmatig, in een aquarium achter glas, overleven ze.  Verder zien landschappen er uit als ‘een slordig dichtgenaaide wond’, zinderen de ‘kaalgeschoren’ korenvelden en zijn bomen dood. Net als de personages is de aarde dus leeg. Heel sterk is dat Baerwaldt niet prekerig wordt. In plaats daarvan schippert ze subtiel tussen klassieke verhalen en actuele problemen. Zoals de vrouwen achter het weefgetouw hun levens met die van sprookjesfiguren verweefden, zo verbindt zij het probleem van haar hedendaagse sprookjesfiguren met dat van het huidige klimaat.

Hier komen wij vandaan verweeft dus verschillende lagen met elkaar, maar helemaal naadloos gaat dat nog niet. De hoofdstukken zijn nogal fragmentarisch. In een treffend sobere stijl roept Baerwaldt vooral een beeld of een scène op, waarna ze overstapt naar het volgende personage. In het begin werkt dat prikkelend en spannend. Wanneer Ondine en haar moeder een tijdelijk onderkomen hebben bij een oude mevrouw wier kat ze moeten verzorgen, maakt Baerwaldt de machteloosheid van moeder en dochter pijnlijk duidelijk, als ze het hoofdstuk afsluit met: ‘Ik telde de blikjes kattenvoer. Vijftien blikjes tot mevrouw Stern zou terugkomen en wij weer verder moesten.’

Die trefzekere dosering komt aanvankelijk ook in haar dialogen mooi naar voren. Wanneer Ondine al een paar dagen alleen in het huis van mevrouw Stern verblijft, terwijl haar moeder de hort op is, komt Ondines eenzaamheid en haar moeders problematiek heel zorgvuldig naar voren:

Ook die middag kwam je niet terug. Ik liet het bad vollopen, mengde de temperatuur tot het water net iets warmer was dan de buitenlucht en het mijn lichaam omsloot als een zachte deken. Ik dacht aan het woord ‘vader’.

‘Een vader is een man die kinderen verwerkt,’ antwoordde je toen ik er eens naar vroeg.

‘Wie heeft mij dan verwerk?’ wilde ik weten.

Je pakte me bij mijn kin en keek mij indringend aan.

‘We zijn niet op zoek naar een vader,’ zei je. ‘We zijn op zoek naar een prins.’

Juist door haar personages weinig te laten zeggen, legt Baerwaldt precies de pijnpunten bloot. In die volwassen vrouw schuilt nog steeds de kleine zeemeermin, die koste wat het koste haar prins, haar geluk, in deze verkilde wereld zoekt.

Gespannen draden versus losse steken

Helaas verdwijnt die subtiliteit langzaamaan. Op den duur wordt er eerder te veel dan te weinig gezegd. De personages leggen steeds meer uit wat weer afbreuk doet aan hun geloofwaardigheid. Alex is bijvoorbeeld niet al te snugger en heeft vooral oppervlakkige contacten. Hij heeft niet eens door dat zijn collega Rick hem niet meer ziet staan en weet zich ook geen raad met zijn dode moeder en bijkomende schulden. Zijn onwetendheid maakt hem kwetsbaar. Het past dan niet bij zijn karakter dat hij later denkt in zinnen zoals: ‘De tijd is een moeras geworden’ en: ‘Er was iets wat hij moest onthouden. […] Iets vanzelfsprekend dat zich achter de wolken in zijn brein schuilhoudt en waar hij dichterbij moet zien te komen’. Alex hoeft heus geen onnozel type te blijven, maar de overstap van naïeve goedzak naar deze quasi-poëet is nog te abrupt. Het haalt de rek uit de eerder opgeroepen spanning.

Dat geldt eveneens voor de andere personages. Zo strooit Ondine, zeker voor een kind, met allerlei wijze uitspraken. Van ‘In de badkuip dreven mijn herinneringen als vreemde brokstukken. Ik roerde erdoorheen; al die plekken vol gebutste wezen’ tot ‘Soms voelt het als een heiligdom en andere keren als het hol van een dier’. Zij heeft dergelijke uitspraken niet nodig om te beklijven. Haar tragiek is juist het sterkst als er weinig woorden aan te pas komen. In stiltes, of het eerdere beeld van de blikken kattenvoer, wordt de eenzaamheid van dit kind pijnlijk voelbaar. Die verstandige zinnen doen dus eerder afbreuk aan haar karakter. Waar Baerwaldt in het begin de informatie stukje bij beetje prijsgeeft, legt ze de boodschap er nu wel erg dik bovenop.

Loek en Brenda ontspringen hierbij evenmin de dans. Ook hun problemen worden te veel geëxpliciteerd. ‘Ze wilden niet ontdekt worden,’ staat er letterlijk, terwijl dat allang duidelijk is aan de manier waarop zij in hun niemandsland opnieuw willen beginnen. Wanneer ze geen kinderen kunnen krijgen, moet de verteller nog eens benadrukken dat het niet goed tussen hen gaat: ‘Zijn pogingen waren vergeefs. Ze zat op slot.’ In dat opzicht lijkt Baerwaldt ook wat stijl betreft naar de sprookjes te verwijzen. In dat genre is bijna altijd sprake van een alwetende verteller, die de betekenis van het verhaal expliciteert. Bij een sprookje is dat geen probleem.

In Hier komen wij vandaan zit de kracht eerder in hetgeen dat niet nadrukkelijk verteld wordt maar tussen de regels door drijft. De roman is op z’n best als de verhaallijnen strak gespannen zijn, zoals bij een weefgetouw. Wanneer bij weven de inslag- en kettingdraden nauw met elkaar vervlochten zijn, is de structuur van de stof het fijnst. Dat geldt ook voor Hier komen wij vandaan. Juist wanneer de verhaallijnen strak in elkaar overlopen en er weinig expliciet verteld wordt, beklijven de personages. Sterker nog, dan hebben ze het misschien wel in zich om, in de lijn van de personages uit de verhalen van Perault, Grimm en Andersen, uit te groeien tot hedendaagse sprookjesfiguren.

Recensie van Hier komen wij vandaan door Pieter Olde Rikkert.

Querido, Amsterdam, 2021
ISBN 9789021421278
221p.

Geplaatst op 02/12/2021

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.