Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Na het schrijven van een boek is Rinus Spruit (1946) leeg. Dan heeft hij geen enkele inspiratie meer en denkt hij: dit was ongetwijfeld mijn laatste boek. ‘Tot er opeens – soms pas na een paar jaar – weer een idee […] opkomt,’ vertrouwt Spruit in 2022 de Provinciale Zeeuwse Courant toe. ‘En dan begint alles weer van voor af aan.’
In zijn vijfde roman Valavond van een nestblijver begint Spruit ook bij het begin. In bijna vijftig beknopte hoofdstukjes trekt het leven van Maarten Kostwinder aan ons voorbij. Nadat een vijfjarige Maarten ziet hoe de huisarts langskomt met de dokterstas waarin zijn jongste zusje zit, volgen we de hoofdpersoon tot aan zijn dood.
Maarten groeit op in een Zeeuws dorp – moeder zorgt voor de kinderen, vader is rietdekker. Bij zijn eerste baantje bij de Boerenleenbank durft hij niemand aan te spreken, zeker geen vrouwelijke collega’s. Maarten weet niet wat hij wil. Hij hopt van baan naar baan, breekt relaties snel af en als hij vertrekt, keert hij telkens toch terug bij zijn ouders. Pas in de avondschemering van zijn leven – de valavond – probeert Maarten volwassen te worden.
Het is niet de eerste keer dat Spruit schrijft over een verlegen man met angst voor vrouwen die niet weet wat hij wil in het leven. Meestal is de vaderfiguur rietdekker, een enkele keer landbouwer. De ene keer sterft de vader eerder dan de moeder, dan weer andersom. De hoofdpersoon is verpleger, fotograaf, boekenschrijver of doet archiefonderzoek.
De boeken zijn niet los te zien van de schrijver zelf. Spruit werkte als verpleegkundige, journalist, buschauffeur en fotograaf. Op 63-jarige leeftijd debuteerde hij met De rietdekker (2009), over het leven van zijn vader, die op de daken van Zeeuwse boerderijen werkte. Spruit baseerde zijn boek op interviews en dagboekaantekeningen, maar verwerkte ook zijn eigen relatie met zijn vader in het boek.
In de daarop volgende romans stond vaker het leven van een naar Spruit gemodelleerde hoofdpersoon centraal. In het VPRO-programma Brommer op zee benadrukt Spruit dat hij niet het hoofdpersonage van zijn roman is. Hij is daar te gast om te praten over De verlossing van Jacob Smallegange (2021), dat later op de longlist van de Libris Literatuurprijs zou belanden. ‘Maar ik lijk wel op hem,’ zegt hij nog in hetzelfde item. Spruit heeft de werkelijkheid nodig om te schrijven, hij kan niet anders.
Binnen deze zelfopgelegde kaders blijkt de schrijver een meester. Ook in Valavond van een nestblijver roept hij met weinig woorden de binnenwereld van een verlegen persoon op. Bijvoorbeeld als Maarten op 21-jarige leeftijd meisjes uit zijn klas ziet badmintonnen.
‘Doe je mee, Maarten?’ riep een van hen hem toe. Hij verstijfde, schudde zijn hoofd, mompelde zoiets als ‘Geen tijd’ en versnelde zijn pas. De meisjes grinnikten – lachten ze hem uit? Waarom deed hij niet mee? Hij was goed in badmintonnen.
Soms heeft Maarten juist geen schroom. Als hij gaat studeren in Rotterdam en aan de slag gaat als verpleger, durft hij alles. ‘Hij liep in witte jas, was in functie, de patiënten keken tegen hem op, zij waren afhankelijk van hem.’ Maarten is trots, ziet het helpen van zieken als het hoogste werk. Tegelijkertijd kan het ineens omslaan, ‘dan bekroop hem vaak een verlangen om te werken in de buitenlucht. Zijn vader helpen met bossen riet dragen.’
Deze tegenstrijdigheden maken de roman lezenswaardig. Met het uitwerken van Maartens binnenwereld laat Spruit zien dat hij de streekroman ontstijgt. Bovendien zijn het plot en de situering ondergeschikt aan de thema’s van de roman: het verkennen van universele gevoelens als eenzaamheid, vervreemding – het verlangen naar het doen van iets groots, maar het eigenlijk niet kunnen of durven.
Spruits werk vergelijken met andere auteurs die over Zeeland schrijven – denk aan Franca Treur en Oek de Jong – gaat niet helemaal op. In Valavond van een nestblijver speelt religie bijna geen rol en de beklemming van het platteland geldt voor Maarten maar ten dele. Hij wil weg uit het dorp, maar kan tegelijkertijd de drukte van de stad niet aan. Als hij een vriendinnetje mee naar huis neemt vanuit Rotterdam, en ze met de auto Zeeland binnenrijden, voelt de terugkomst bijna als een opluchting.
Toen ze Bergen op Zoom passeerden deed Maarten het raampje een eindje open. ‘Dan kan de Zeeuwse lucht binnenkomen,’ zei hij. ‘Dat doe ik altijd, soms doe ik bij Wouw mijn raam al open. Als het tocht, moet je het zeggen.’
Spruit schrijft beknopt. Als Maarten in de valavond van zijn leven zelf gaat schrijven, leest hij verschillende boeken, zoals Een ontgoocheling (1916) van Willem Elsschot en De Last (1904) van Gustaaf Vermeersch. Deze naturalistische en zakelijke werken kennen geen woord te veel. Spruit is transparant, dit zijn zijn voorbeelden. Hij gaat zelfs zo ver dat hij Maarten hele passages van Elsschot en Vermeersch in het boek laat citeren. Dat is jammer, het doet afbreuk aan de eenheid van zijn eigen roman.
Als Spruit in 2014 in het VPRO-programma Boeken wordt geïnterviewd over Een dag om aan de balk te spijkeren (2013), vraagt presentator Wim Brands hoe het komt dat hij zo open is over zijn verlegenheid. ‘Het doet mij niet zo veel meer,’ zegt Spruit daarover. Maar ook: ‘Tien jaar geleden had ik dit boek niet durven schrijven.’
Nu, weer dik tien jaar later, is Spruit nog opener. In Valavond van een nestblijver schrijft hij niet alleen over Maartens relatie met zijn vader, maar ook die met zijn moeder. Als Maartens moeder na de dood van vader op tachtigjarige leeftijd naar een praatgroep gaat, lijkt ze niet meteen aansluiting te vinden. Ze blijft echter wel gaan. Hij is jaloers. ‘Zijn moeder had courage. Ze was geen wegloper, zoals Maarten.’
Ook reflecteert Maarten op zijn eigen handelen. Als na de dood van moeder de relatie met zus Greet – met wie hij altijd close was – bekoelt, vraagt Maarten zich af: heeft hij wel goed voor zijn moeder gezorgd? Was hij een last? Het is knap dat Spruit het perspectief kantelt en je als lezer mee laat denken en verbazen. Maarten rijpt als persoon, ook in zijn relaties tot vrouwen.
Het boek bevat veel verwijzingen naar vogels, die vaak de emotionele staat van Maartens binnenwereld symboliseren. We zien eenden, zwaluwen, zanglijsters – op de cover prijkt een schuwe roerdomp. Soms is die herhaling iets te veel van het goede en voelt het patroon zelfs clichématig aan, maar in combinatie met Spruits sobere stijl werken dit soort stijlkeuzes wel.
Een mooi voorbeeld zijn de drie ganzen die jarenlang met hetzelfde gangetje door het dorp lopen. De lezer komt de ganzen tegen na een hoofdstuk waarin Maarten een vriendin kwijtraakt.
En toen, ineens liepen er maar twee ganzen meer […]. Alles in het dorp ging gewoon door. Alsof er niets gebeurd was. De twee ganzen zetten hun leven voort, liepen hun bekende gangetje, maar vanaf dat moment verbonden met elkaar door rouw.
In vergelijking tot zijn eerdere werk is deze roman stijlvaster en volwassener. Spruit verschuilt zich bijna niet meer achter dagboekfragmenten, citaten van anderen of eerder geschreven teksten. Het boek voelt als een geheel. Rinus Spruit heeft alles gegeven en is ongetwijfeld weer leeg.
Nu moeten we een paar jaar wachten, tot Spruit weer een goed idee krijgt en hetzelfde verhaal opnieuw vertelt – maar dan nog beter.
Een recensie door Fabian de Bont over Valavond van een nestblijver van Rinus Spruit.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.