Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Bijna tien jaar werkte Els Snick aan De feestzaal van mijn ouders. Een Vlaamse familiegeschiedenis. Feestlocatie de Visscherie in Oostrozebeke staat daarin centraal. Half West-Vlaanderen kwam daar tussen 1970 en 1992 voor bruiloften, communies en begrafenissen. In 2017, net voor de sloop van het gebouw, organiseerde Snick een afscheidswandeling. De opkomst was groot: honderden mensen liepen door het uitgestorven zalencomplex, namen vergeten spullen mee – een stel vroeg of ze later plinten mochten komen halen voor hun verbouwing.
Die avond kwamen herinneringen naar boven: garnalencocktails en verse frieten, het bruidspaar aan de eretafel, dansen op ‘La Bamba’ – iedereen kende wel iemand die in de Visscherie was getrouwd. Mensen schoten Snick aan, haar ouders hadden veel voor het dorp betekend, zeiden ze.
Ze hoorden echter ook een ander verhaal. Het ging over de vorige bewoners van de Visscherie, de rijke broer en zus Jozef en Maria Lootens. In de jaren 1920 bouwden zij in hun tuin een kleine villa voor hun vriend en held Cyriel Verschaeve (1874-1949), een priester-dichter, boegbeeld van de Vlaamse Beweging.
Die Verschaeve, reageerde Snick, dat was een ter dood veroordeelde nazi. Hij collaboreerde met de bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog, spoorde Vlamingen aan om te vechten aan Duitse zijde. Maar dat vonden meerdere mensen overdreven, één man was zelfs verontwaardigd. ‘Verschaeve heeft veel voor de Vlamingen gedaan,’ zei hij meerdere keren achter elkaar.
Het maakte Snick ongemakkelijk. Rond 2017 verdwenen in Vlaanderen ‘foute’ straatnamen en standbeelden, maar het opdoeken van een Cyriel Verschaevestraat? Dat was onzin, was die avond het sentiment. Ook Snicks eigen ouders bewonderden de priester-dichter en lazen thuis het Vlaams-conservatieve weekblad ’t Pallieterke.
Het liet haar niet los. Snick besloot een boek te schrijven over de geschiedenis van de feestzaal en de vroegere bewoners, de link met de oorlog en Verschaeve.
De feestzaal van mijn ouders schreef Snick tussen haar werkzaamheden door als vertaler van Duitse literatuur en docent aan de Universiteit Gent. Ze spitte archieven door, sprak getuigen, bezocht belangrijke plekken en sprak met haar ouders.
Het resultaat is een hybride werk met Snicks onderzoekende ik-persoon als lijm. In het eerste deel proeven we de sfeer van de West-Vlaamse feestzaal, daarna pluist ze de geschiedenis van de Visscherie uit. De plek had altijd al een aantrekkingskracht: het gebouw was onder meer een bierbrouwerij, een kuuroord, een ‘lusthof’ voor weldenkenden – een van de bewoners zette zich in voor protesten tegen de Nederlandse overheerser koning Willem I.
Snicks moeder herinnert zich de aantrekkingskracht van de Visscherie: ‘Daar kwamen veel kunstenaars, Stijn Streuvels stond vaak voor de deur. En Cyriel Verschaeve natuurlijk. Allemaal hielden ze hun hand op voor de rijke Jozef en Maria Lootens.’
In het boek is veel aandacht voor de relatie tussen broer en zus Lootens en de radicaliserende Cyriel Verschaeve, die in hun tuin verbleef. Hij geloofde dat de Vlamingen zich alleen konden vrijmaken van België met hulp van de bezetter. De priester-dichter ronselde soldaten om te vechten voor de Duitsers en hij speechte voor de nazivlag. Het is allemaal niet nieuw, biograaf Romain Verlandschoot beschreef het al in Kapelaan Verschaeve (1998).
Toch legt Snick iets nieuws bloot: ze laat zien dat de Lootens Cyriel Verschaeve ‘mogelijk maakten’. Jozef Lootens raakt bevriend met Verschaeve, dan onderpastoor in het nabijgelegen Alveringem. Ze discussiëren over kunst en sturen elkaar brieven die beginnen met ‘Liefste vriend’ of simpelweg ‘Liefste’. Als ze samen Rome willen bezoeken, twijfelt Verschaeve over de kosten. Snick schrijft: ‘Geen punt voor Jozef. Dit was de afspraak: over geld werd niet gesproken.’
De Lootens financieren Verschaeve en ze richtten een uitgeverij voor hem op: Zeemeeuw, naar een pseudoniem van de priester-dichter. Zonder die uitgeverij was Verschaeve nooit groot geworden. Zijn boeken verkochten goed, sommige gedichten en kunstbeschouwingen waren geliefd onder Vlamingen, maar zijn werk als geheel stelde inhoudelijk weinig voor – Duitse vertalingen kwamen nooit van de grond omdat vertalers niet met de teksten uit de voeten konden.
Ook Verschaeves andere grote passie, het boetseren van beelden (vaak van Bijbelse figuren), stelde weinig voor, stelt Snick. Jozef Lootens had een bevriende kunstenaar, Georges Vandemoortele, ingehuurd om Verschaeve het boetseren te leren. Verschaeve bedankte hem zelden en noemde hem ‘het schoenmakertje’, terwijl alle geslaagde kunstwerken door Vandemoortele waren gemaakt. Snick realiseert zich dat Verschaeve als de ‘ziener van Vlaanderen’ een mythe is. ‘Wat kon Verschaeve dan wel?’ vraagt Snick zich af, ‘Op alles volgde een “maar”: hij had charisma maar was verslaafd aan bewondering; hij was een bevlogen redenaar maar leed aan zelfoverschatting.’
Snick ontdekt in de brieven tussen Lootens en Verschaeve een innige liefdesrelatie. Ook onderhoudt Verschaeve erotische briefwisselingen met de mannen die model staan voor zijn bustes. Opmerkelijke aspecten van het leven van een priester-dichter die met een regime samenwerkte dat mensen vanwege hun geaardheid naar concentratiekampen stuurde. Omdat het nergens in de biografie staat, vroeg Snick aan biograaf Verlandschoot of Verschaeve op mannen viel. Die antwoordde: ‘Daarover zullen de meesten het met je eens zijn.’
Voor het boek heeft Snick veel archiefwerk verricht, plaatsen bezocht en met mensen gesproken. Belangrijke gesprekspartners waren haar eigen ouders. Zij hadden geen familieband met de Lootens, maar uit hun openhartige gesprekken blijkt wel dat zij indirect beïnvloed waren door het gedachtegoed van de vorige bewoners.
Als Snick vraagt wat ze zich nog van Verschaeve herinnert, vloeit uit haar moeders mond meteen zijn gedicht ‘De Meeuw’, woord voor woord. Ook de kunstbeschouwing van de priester over Rembrandt en de gebroeders van Eyck vond ze goed: ‘Ik moest thuis maar eens kijken in haar kast, daar stonden nog een paar exemplaren.’
Tijdens een bezoek aan biograaf Verlandschoot met haar moeder vraagt Snick onder meer hoe het kan dat zoveel mensen nog steeds het verzameld werk van Verschaeve in huis hebben. Op dat moment mengt haar moeder zich in het gesprek. ‘Els begrijpt dat niet. Ze zoekt er te veel achter.’ Snick kan dat zelf goed nuanceren. ‘Was ik vijftig jaar eerder geboren, dan had ik een van die meisjes kunnen zijn die […] aan priester Verschaeves lippen hingen.’
Ondanks de uitgebreide gesprekken en het gedegen archiefonderzoek is het boek nog geen driehonderd pagina’s lang en soepel geschreven. Snick wisselt liefdevolle herinneringen in de feestzaal van haar ouders af met het collaboratieverhaal van Verschaeve en de vorige bewoners van de Visscherie.
Soms draaft Snick door bij het uitpluizen van de archieven. Bijvoorbeeld in de hoofdstukken over de families Tack, Lootens en andere bewoners van de Visscherie. Soms is moeilijk om te volgen wie familie is van wie en waarom we dit moeten weten. Gelukkig staat achterin het boek een stamboom.
Uiteindelijk zorgt het gedegen familie- en archiefonderzoek wel voor een groot inzicht. Zo komt Snick op het spoor van een negentigjarig nonnetje, Annie Lambrecht, dat missiewerk deed in de Filipijnen.
Lambrecht vertelt levendig over een bombardement dat ze meemaakte in Mortsel. Het was het heftigste dat België tijdens de Tweede Wereldoorlog meemaakte. De geallieerden moesten een wapenfabriek bombarderen, maar raakten een woonwijk en een school. Meer dan negenhonderd mensen stierven, een van hen was Annies moeder Lena. Jozef en Maria Lootens verzorgden de begrafenis en lieten het bidprintje drukken.
Op dat bidprentje stonden Bijbelcitaten en teksten als ‘onschuldig bloed’ en ‘al wie menschenbloed gestort heeft, zal met menschenbloed betalen’. Niet veel later zouden Jan en Herman, zuster Annies broers, naar het Oostfront vertrekken om voor nazi-Duitlsand hun moeder te wreken. De broers kwamen niet meer terug.
De woorden op het bidprintje voelden voor Snick als de crux van haar verhaal.
Ik zie mijzelf nog zitten in de leeszaal van het Rijksarchief in Brussel met dat kaartje voor mijn neus. De weerzinwekkende tekst die Jozef Lootens ‘dat druppeltje troost’ noemde, in de brief waarmee hij Verschaeve ervoor bedankte. […] Dat is wat mij bezighield: hoe kon het dat een weldenkende, sociaal voelende, katholieke familie, een familie zoals de mijne, zich zo door iemand als Verschaeve kon laten verleiden.
Natuurlijk is er eerder geschreven over het Vlaamse collaboratieverleden. Het bekendste werk is waarschijnlijk Het verdriet van België (1983) van Hugo Claus, waar Snick meermaals naar verwijst. In De feestzaal van mijn ouders krijgt de leek een compleet en compact overzicht van de Vlaamse dynamiek van de collaboratie, waar de dominante katholieke kerk en onderdrukte nationale gevoelens meespelen bij het wegen van de samenwerking met de Duitse bezetter.
De feestzaal van mijn ouders past ook in een rijtje met boeken waarin de persoonlijke zoektocht naar het naziverleden centraal staat. Denk aan het NSB-verleden van Sheila Sitalsings grootouders in Waar ik mij voor schaam (2025) of het SS-verleden van schrijver Ivo Michels in Wat ik haar niet vertelde (2025) door Sigrid Bousset. Ook schrijvers als Chris van der Heijden en Bas von Benda-Beckmann schreven recent over hun ‘foute’ voorouders.
Misschien is er nu meer momentum voor persoonlijke verhalen over het ‘foute’ oorlogsverleden. Schrijvers zijn een of twee generaties verwijderd van de Tweede Wereldoorlog, hun (groot)ouders zijn al ouder, soms al overleden. Ook komt er steeds meer archiefmateriaal bij. Zo kwam in 2025 het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR) vrij, met informatie over 425.000 Nederlanders die verdacht werden van samenwerking met de Duitse bezetter.
Ook in fictie verschijnen meer ‘doodnormale Nazi’s’, constateerde NRC-boekenrecensent Thomas de Veen. In boeken als Liefde in het Derde Rijk (2025) van Martin Michael Driessen of De bewaring (2024) van Yael van der Wouden zien we mensen die meedraaien in de machine van nazistisch geweld. Deze verhalen geven ons inzicht: hoe kan het dat iemand – een mens, zoals jij en ik – in staat is tot het slechte.
Ook Snick laat ons dat zien, en gaat misschien nog iets verder. Door de feestzaal als uitgangspunt te nemen, vertelt ze de verhalen van alle bewoners in, om en verbonden aan de Visscherie in Oostrozebeke. Niet alleen de verhalen over de geradicaliseerde priester-dichter en de mensen die hem adoreerden, maar ook de verhalen over mensen die een donkere geschiedenis half vergeten en goedpraten. Ook door mensen die verder weg stonden van de Vlaamse Beweging of nog niet eens waren geboren.
In De feestzaal van mijn ouders laat Snick zien hoe het naziverleden in het 21e-eeuwse Vlaanderen nog steeds doorettert. Dat doet de auteur systematisch en zorgvuldig, waardoor de lezer soms kan verdwalen in alle informatie. Wie doorleest, krijgt echter een compleet en genuanceerd beeld van de doorwerkingen en begrijpt hoe het kan dat een vriendelijke man als Snicks vader tot het einde van zijn leven maar van één ding droomde: een onafhankelijk Vlaanderen.
Een recensie door Fabian de Bont over De feestzaal van mijn ouders. Een Vlaamse familiegeschiedenis van Els Snick.
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.