Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
In de loop van 2025 verscheen Marijke Van Thielen op mijn Facebook-radar met indringende posts over – pour faire vite – de zinloosheid van het leven. Het waren lange stukken met een uitgesproken literair karakter en een hoog existentieel gehalte, die zowel qua inzet als toon behoorlijk radicaal overkwamen. Hier dacht iemand met huid en haar, vanuit eigen ervaringen maar zonder uitgesponnen zelfgewentel; hier schreef iemand met om- en uithalen, in een afwisselend lapidaire en barokke taal die hoge en lage registers naadloos combineert; en vooral: hier beschouwde iemand de onverschilligheid van de wereld niet als een probleem, maar als een feit dat je lucide onder ogen moet zien. Dat alles werd bovendien zonder veel vertoon gebracht: onverbloemd, en vrij van intellectuele aanstellerij. Het trof mij allemaal nog meer omdat het overlijden aan kanker van haar man, met wie ze in 2025 naar Andalusië was verhuisd, de directe aanleiding voor Van Thielens essays vormde (ze verloor vijftien jaar eerder al een geliefde aan zelfmoord).
Van Thielen bundelde een groot deel van de geposte stukken, soms licht herwerkt, in Zij nam het vlees. Het boek verscheen bij de mij onbekende kleine uitgeverij Fagus in IJzerlo. Cartoonist Kim Duchateau ontwierp een provocerende omslag in bordeauxrode tinten, met een duidelijke knipoog naar de punkesthetiek: titel en auteursnaam staan respectievelijk boven- en onderaan in donkerzwarte, handgeschreven hoofdletters, met daartussen het silhouet van een vrouw die in een opgeheven hand een bot omklemt, terwijl voor haar voeten de resten van een karkas liggen. Naar eigen zeggen had Van Thielen geen zin om het hele selectie- en redactieproces te doorlopen dat een uitgave bij een gevestigde uitgeverij met zich meebrengt. Ze wilde snel publiceren, in de tijd dicht bij de gebeurtenis blijven die het schrijven van de essays had gemotiveerd. Tegelijk mag die keuze ook iets zeggen over haar kijk op het auteurschap: do-it-yourself-ethiek primeert op berekend professionalisme en carrièrisme.
Betekenisloosheid als bestaansconditie
De dood is in dit boek volop aanwezig, soms direct maar meestal als een insisterende grondtoon. Het overlijden van haar man beschrijft Van Thielen indringend in ‘66 dagen van zinloos geweld’, dat net als de meeste andere essays opent met een motto uit Prediker. Het is een tegelijk genadeloze en liefdevolle tekst: wars van sentimentaliteit, maar wie de laatste twee, in een ten dele observerende toon geschreven paragrafen onaangedaan kan lezen, lijdt aan gevoelsarmoede. Het stuk opent met het soort van trefzekere, nogal cassante vergelijking dat je vaker bij Van Thielen aantreft: ‘Het verschil tussen terrorisme en kanker is dat de terrorist tenminste zichzelf een motief toekent.’ De slotzin is een fatale doordenker: ‘Wie de willekeur ziet, verliest altijd.’ Tussendoor rekent ze onbarmhartig af met die geruststellende barmhartigheid die de bestaanstragiek wegpoetst – met hen die ‘spreken over vechten en sterk zijn, en nog sterker worden, over niet opgeven en je krachten sparen. […] Even later rijden ze naar huis.’ Dit gecomprimeerde citaat mag cynisch klinken, maar Zij nam het vlees getuigt veeleer van een denken dat zeldzaam is in een tijd waarin wijsbegeerte al te vaak wordt verward met psychologische tegelwijsheid en optimistisch moralisme (beide kruisen elkaar in de neoliberale mantra van de zelfzorg).
Voor Van Thielen maakt de onvermijdelijke dood niet alleen elk mensenleven finaal absurd, maar fungeert onze eindigheid ook als symbool voor de betekenisloosheid van de werkelijkheid. Het universum zwijgt, de wereld is onverschillig: iedere menselijke vorm van zingeving is een tot mislukken gedoemde poging om aan die zinloosheid te ontsnappen. Dat doet existentialistisch aan, maar met aftrek van Jean-Paul Sartres gedachte dat de betekenisloosheid van de wereld de mogelijkheidsvoorwaarde van onze vrijheid vormt (juist omdat de realiteit inherent betekenisloos is, verplicht zij tot niets, zie Sartres befaamde uitspraak ‘l’existence précède l’essence’). De basismelodie die Van Thielen met talige verve varieert, herinnert nog het meest aan het denken van Albert Camus, al legt die veel sterker de nadruk op het vermogen de spanning uit te houden tussen een zinloze werkelijkheid en onze behoefte aan zingeving. Niet voor niets spreekt Camus aan het einde van De vreemdeling over de ‘tedere onverschilligheid van de wereld’, die Meursault, het hoofdpersonage, ervaart nadat hij is uitgevaren tegen een priester. Bij Van Thielen is die betekenisloosheid allesbehalve mild: zij is meedogenloos.
Van Thielen heeft weinig geduld met mensen die leuren met een diepere levenszin, zoals newage- en wellnessaanhangers of pleitbezorgers van hooggestemde waarden (‘De demon van de Deugd’ is vernietigend voor de vele morele roeptoeters op links en rechts). Hoopbrengers vindt ze eveneens intellectueel hopeloos. En in ‘De aarde sterft niet. Jij wel’ omarmt ze de idee van ‘de onttoverde wereld’ – die uitdrukking van Max Weber haalt ze zelf aan – om het verkapte antropocentrisme van veel hedendaags ecologisch activisme te fileren: ‘De klimaatcrisis confronteert ons niet met de dood, die kennen we al sinds de eerste grotschilderingen, maar met iets gruwelijkers: het besef dat de wereld niet om ons geeft.’ De wereld heeft inderdaad onze blik en betekenisgeving niet nodig om te bestaan: ook zonder poëzie of mythologie blijven zee en maan, aarde en kosmos voortbestaan. De conclusie klinkt opnieuw onverbiddelijk, zeker voor progressieve oren: ‘Vanuit dat perspectief is klimaatangst geen ecologische zorg, maar een vorm van existentiële jaloezie. We vrezen niet dat alles eindigt. We vrezen dat het doorgaat, zonder ons.’
Volgehouden pessimisme?
Zij nam het vlees is, jawel, regelmatig drammerig en bijtend, maar die stelligheid wordt gecompenseerd door een markant talig vitalisme, een stromend proza dat rijkelijk gebruik maakt van metaforen. Neem bijvoorbeeld deze korte passage over machteloosheid: ‘Je kunt niet wegdromen; je bent slechts hete smurrie op de vloer, glijdend in de smeulende as van je eigen miserie. Je kunt niet wegkijken, en geen bolletjes ijs opmerken bij een ander.’ En zo gaat het nog een tijd door: zinnen waarin alledaagse woorden, lijfelijke beeldspraak en filosofische gedachten versmelten.
Van Thielen claimt geen intellectuele originaliteit. Ze vermeldt regelmatig de auteurs die haar inspireren, zonder met die kennis breed uit te pakken, laat staan ermee te pronken. Het verwondert alvast niet dat in dit boek herhaaldelijk de naam van aartspessimist Emil Cioran valt. De eveneens somberende Arthur Schopenhauer is dan weer Van Thielens filosofische ‘hartediefje’ (haar woord). Haar verhouding tot Friedrich Nietzsche blijft dubbelzinnig: soms haalt ze hem instemmend aan, even vaak neemt ze afstand van diens gedachtegoed. Ze zal wellicht de laatste zijn om zich een kenner van Schopenhauers werk te noemen, maar ook dan valt op dat ze ‘de andere Schopenhauer’ onbesproken laat: de denker van het leven in het moment, van de opgewektheid als levenshouding, waarin het heden wordt omarmd en een beetje vrolijkheid nog meer levenskracht losmaakt. Van Thielen gaat eveneens, bewust of niet, voorbij aan de manifeste contradictie die elke vorm van consequent pessimisme, absurdisme of ‘zwart existentialisme’ ondergraaft. De stelling dat het leven zinloos is, is immers evengoed een manier om dat leven zin te geven. Wie de zinloosheid van de werkelijkheid vaststelt, neemt per definitie een betekenisvolle positie tegenover die werkelijkheid in. Of nog: de negatie van zin is zinvol.
Heel soms zet Van Thielen zélf de zwartgeverfde deur op een kier, om het frisse van de binnenwaaiende wind vervolgens meteen weer te relativeren: ‘Betekenis laat zich niet opzoeken, ze eist dat je eerst verdraagt dat er misschien niets ons tegemoetkomt. Wie geen houvast eist, kan af en toe, misschien, geraakt worden. En dan? Dan schrijf je er een essay over, neem je drie extra angstremmers en hoop je dat straks niemand opmerkt waarover je eigenlijk geschreven hebt.’ Ik ken in het Nederlands taalgebied weinig essayisten die zoveel stijl weten te puren uit zoveel uitzichtloosheid. Zij nam het vlees verschilt dan ook hemelsbreed van het soort kleinburgerlijke memoir-essayistiek dat nu al een tijdje furore maakt en intussen is uitgegroeid tot het nieuwe format om persoonlijke observaties, anekdotes en uiteenlopende culturele interesses annex theoretische referenties te combineren tot een etalage van brave Bildung op maat van de cultuuromnivoor (het weinig verhulde distinctiestreven is navenant groot).
Een spiegel voor het literaire veld
Mijn leeftijd zit er ongetwijfeld voor iets tussen, maar ik ontwaar in Zij nam het vlees sporen – of beter: restanten – van de eertijdse punkmentaliteit. De rebelse, anarchistische, ‘contraire’ no future-houding die erin doorschemert, affirmeert Van Thielen voluit in haar Facebook- en Instagram-posts. In de reacties op eerste versies van de essays die later in dit boek terechtkwamen, kwam ze vaak gevat grappig, zelfs ontwapenend uit de hoek (op sociale media grossiert ze nog altijd in hartjes) – alsof die zinloosheid uiteindelijk toch weer niet al te ernstig moet worden genomen en het leven nu eenmaal doorgaat. Sinds Zij nam het vlees verscheen, promoot Van Thielen haar debuut op Facebook en Instagram met citaten, vergezeld van door AI bewerkte zwart-witfoto’s waarop ze, steevast met een sigaret in de mond, poseert als punkvrouw, heavymetalgroupie of, algemener, als een schijnbaar ongeïnteresseerde vamp die weet dat mannen in haar zijn geïnteresseerd. Het is een schaamteloze persiflage op wat literatoren tegenwoordig geacht worden te zijn: instagrambare lichamen en gezichten die aandachttrekkende quotes debiteren. Van Thielen duwt die verwachting richting de culturele marge en verbindt haar met wat zich het best laat omschrijven als een tienerpunkpopattitude. De spektakelmaatschappij houdt van buitenissige figuren en ‘dus’ carnavaliseert Van Thielen zichzelf behoorlijk tegendraads tot quasi-koopwaar (die ‘dus’ behoeft nadere kwalificaties, vandaar de aanhalingstekens). Onwillekeurig moet ik terugdenken aan de manier waarop Malcolm McLaren destijds The Sex Pistols in de markt zette.
Recent, we schrijven eind juli 2026, maakte Van Thielen bekend dat ze in het najaar uit de kleren gaat voor Playboy. Het leverde, voorspelbaar, een stroom vrouwenhaat op, naast een hoop bezorgde reacties over haar intellectuele geloofwaardigheid. Die reactie had ik zelf ook: misschien gaat ze dezelfde weg op als Stella Bergsma en schuift ze met haar provocerende combinatie van feminisme en (schijnbaar) nihilisme door naar het column- en praatprogrammacircuit? Daar staat tegenover dat ze momenteel samen met Tom Hannes, bekend van meerdere publicaties over zenboeddhisme, aan een nieuw boek werkt over lijden en verlies, De dood waar je niet aan sterft. Ondertussen lijkt Van Thielen alvast bezig aan een opvallend steile carrière in de literaire marge. Zij nam het vlees verscheen eind maart, beleeft inmiddels een bijna alweer uitverkochte derde druk (al vermoed ik dat de oplages niet bijzonder hoog zijn) en kreeg op sociale media al veel bijval.
Zoveel is zeker: Van Thielen is als buitenbeentje een symptoom van de huidige gang van zaken in het literaire veld. Met haar zelfpromotie neemt ze die op de hak, en tegelijk toont ze dat je een lezerspubliek kunt opbouwen zonder de dekking van het symbolisch kapitaal van een gerenommeerde uitgeverij. Het onderscheid tussen als legitiem en illegitiem beschouwde literatuur of essayistiek zal niet snel verdwijnen, maar Zij nam het vlees bevindt zich stilistisch en door de afwezigheid van intellectuele gewichtigdoenerij in een hybride tussenzone. Dit boek houdt het dominante discours over levenszin en werkelijkheid een weinig flatterende spiegel voor: dat verschijnt daarin als petit bourgeois en middelmatig – als een eigentijdse, sociaal aanvaardbaar gemaakte parafrase van denkbeelden die pakweg Nietzsche of Sigmund Freud veel krasser formuleerden. Van Thielen geeft het Griekse ideaal van een vrijmoedig spreken, de parrèsia die Michel Foucault alweer jaren geleden opnieuw agendeerde, overtuigend gestalte: vanuit haar persoonlijke rouw formuleert ze met scherpe pen ongemakkelijke gedachten. Anders dan ze zelf suggereert zijn het geen Waarheden – maar wat ze schrijft is het overdenken waard en resulteert geregeld in beklijvende beelden, in zinnen ook waarbij je een uitroepteken plaatst.
Reacties
Roald Michel
Met veel genoegen gelezen. Mooie gedachten en uitgekiende beschrijving van deze toch wel aparte schrijfster en vrouw.
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.