Deel Facebook Twitter / X LinkedIn
Kan ik met een anekdote beginnen? Ik weet het niet meer. Ik heb al lang geen boekbespreking meer gemaakt. Ik geef mijn dagen, met graagte, aan het leren ontwarren van een kluwen van verhalen en verhaalelementen. ‘Kijk, hier barst de taal van emotie, hier spreekt een andere verteller.’ Dat ik de zin ‘Lees, het antwoord staat in de tekst’ maar een keer als tatoeage moet nemen, grappen mijn leerlingen. Veel krijgen we samen nochtans niet gelezen. Mijn wanhoop over leerplannen en onderwijsorganisatie leidde onlangs op een bijscholing tot een jammerkreet. Dat je enkel door te lezen kunt leren lezen en door te schrijven kunt leren schrijven, dat drie uur per week te weinig is om aan kluwenontwarring te doen, en dat we dus onze verhalen dreigen te verliezen. Niemand grapte dat dat een coole tattoo zou zijn. We maakten op onze computers een sleepoefening, waarbij we lesideeën een-op-een met leerplandoelen verbonden.
Alhoewel ik niet graag discussieer over ‘het nut van’ – voor je het weet zit je vast in een-op-een denken – overvalt het me toch dat we een grote werf van algemeen nut aan het verliezen zijn als we een maatschappij maken waarin we niet genoeg inzetten op samen verhalen lezen. Door in te zien hoe verschillende verhalen door elkaar lopen, te duiden wie er spreekt, de raderen van machtsmechanismen te analyseren, kunnen we vat krijgen op onze wereld. Ons eigen leven wordt bepaald door verhalen – over wie we willen en kunnen zijn – en als we spreken, spreken er altijd stemmen met ons mee – van ouders en vrienden en helden, en van de vertogen die zij aanhangen. Die inzichten aanscherpen is, denk ik, nuttig. Dan kunnen we namelijk, bij een opstoot van wanhoop, een ander verhaal maken, zo een andere wereld in het vizier krijgen en daar werk van maken. Gelukkig sta je er als taalleerkracht niet alleen voor. Aan je zijde: makers van slimme, ontroerende narratieve kluwens, zoals Siri Hustvedt.
Meervoud
Hustvedts boek over haar overleden echtgenoot Paul Auster is, zoals je overal kunt lezen, in de eerste plaats een groot liefdesverhaal. De schrijfster mist haar man, ze wil hem terug. De enige manier om hem opnieuw een beetje te doen bestaan is over hem en hun leven samen te schrijven. ‘[D]it boek komt voort uit noodzaak en is geen keuze’, stelt ze. Auster had voor zijn dood de wens terug te komen als spook en Hustvedt willigt die in. Ze vertelt hoe ze, na zijn begrafenis, even gaat liggen en Paul de kamer voelt binnenkomen, ze ‘wist dat hij was gekomen om zich ervan te verzekeren dat ik het zou redden’. Later overvalt haar geregeld de geur van de Schimmelpennincksigaartjes die hij vroeger rookte. Tegelijk is het boek ook, met nadruk, meer dan een ode aan haar dode geliefde. De titel Ghost Stories, die onvertaald bleef, geeft een meervoud aan. De Nederlandse ondertitel, Een boek van herinneringen, zet die meervoudigheid meer aan dan de Engelse, A memoir of love and grief. Hustvedt trekt verschillende stemmen en narratieven haar rouwverslag binnen. Naast haar hunkerende liefdesverhaal krijg je als lezer om de zoveel pagina’s een brief te lezen die Auster schreef aan zijn kleinzoon Miles en die hij nog hoopte te bundelen in een boekje, e-mails die Hustvedt schreef naar hun vrienden en familie over Pauls gezondheidstoestand, notities uit haar dagboeken, fragmenten filosofie en wetenschappelijke literatuur, herinneringen aan gezinslevens, citaten uit hun beider boeken en opiniestukken, ‘Een notitie over honkbal’ en een reflectie op de politieke toestand van de VS en de wereld.
Die meerstemmigheid is een geslaagde opzet. Hoewel Hustvedt niet veel ergernissen met ons deelt, en we dus haar Paul als een ongelooflijk lieve, slimme man te zien krijgen, waaiert Ghost Stories te veel uit om in de valkuil van een hagiografie te belanden. Het is natuurlijk ook wat je van haar verwacht. In The Shaking Woman. A History of My Nerves (2010) combineerde ze een persoonlijk ziekterelaas met filosofische essayistiek en toegankelijke reflecties op neurologie. Haar roman The Blazing World (2014) kan je lezen als een verhaal over creatieve passie en institutionele frustratie, als een feministisch fileren van de kunstwereld en als een eerbetoon aan de zeventiende-eeuwse wetenschapper Margaret Cavendish. Memories of the Future (2019) is dan weer een slim spel met autobiografie, waarin een oudere auteur SH terugblikt op haar leven en ons zo doet nadenken over de werking van het geheugen, herinneringen als verhalen en verhalen als herinneringen. In dit boek stelt de verteller bovendien dat ‘every story carries inside itself multitudes of other stories’. Met Ghost Stories geeft ze daar volgens mij nog een andere draai aan; in elk verhaal spoken andere verhalen. Want naast de door Hustvedt zorgvuldig aangebrachte lagen en stemmen klinken hier nog andere verhalen in door, waaronder een over wat het betekent om samen te leven. Bij welke wereld komen we uit wanneer we met Hustvedt op spokentocht gaan?
Huis en huwelijk
Een beetje zoals Georges Perec, een van Austers lievelingsauteurs, vat Hustvedt haar leven met Paul op als een groot huis, waarin zich verschillende levens afspelen. Bij Perec was het een groot appartementsgebouw in Parijs dat hij wilde beschrijven alsof je in elke kamer zomaar kon binnenkijken. Bij Hustvedt is het huis enerzijds ‘het huis van drie verdiepingen hoog in Brooklyn waar Paul en ik dertig jaar onafgebroken hebben gewoond’. Ze schrijft over de krassen die Paul met zijn stoel maakte op de vloer, over het gelach van haar stiefzoon en dochter in hun kamers, ze neemt ons mee de bibliotheek in waar Paul aan een eigen systeem werkte dat zij ‘nog steeds niet echt logisch vind[t]’ en ze gezellig samen tv keken, ze vertelt hoe ze honderden pennen vond in Pauls bureau en hoe zij nu, net als hij vroeger deed, het hele huis afloopt om alle lampen uit te knippen. Die woning is dus zo vol van herinneringen dat het een ‘constructie van het geheugen wordt.’ Door er samen te leven heeft het een ritme gekregen:
Alle huizen waar mensen langere tijd wonen, worden het terrein van handelingen die worden herhaald, maaltijden die worden bereid en genuttigd, vuilnis die naar buiten en post die naar binnen wordt gebracht, koffiezetapparaten die worden aan- en uitgezet, ketels met kokend water dat wordt ingeschonken voor de thee, bedden die worden opgemaakt en was die wordt opgevouwen, douches en baden, tanden die worden gepoetst en gezichten die worden gewassen en zo verder.
Nu Paul niet meer in dat huis woont, is het patroon verstoord. Dat maakt haar rouwervaring herkenbaar. Niet iedereen mag weten hoe een lege brownstone met een huishoudhulp in New York aanvoelt – een spookverhaal van klasse en privilege – maar iedereen weet hoe anders de tijd aanvoelt in een ruimte waaruit iemand is weggevallen.
Anderzijds is het huis ook de drieënveertig jaar van hun huwelijk. Hustvedt vraagt zich af wat ze wil zeggen wanneer ze keer op keer herhaalt dat ze drieënveertig jaar samen waren. Ze weet heel goed dat we veel waarde hechten aan kwantificeren als controlemechanisme, en dat liefde en verlies haaks staan op die controledrang. En toch blijft ze het getal herhalen. Drieënveertig jaar. In die herhaling ligt ook de verbazing over de duur. Hoe ouder je wordt, hoe vreemder het je voorkomt om je leven als één ervaring te beschouwen. Zo ook met een lang huwelijk. Net als een groot huis omvatte de relatie van Hustvedt en Auster veel verschillende verhalen. Hustvedt geeft ons de overrompelende start van hun romance, haar wanhoop toen Paul even bij haar wegging, de feestjes in het New York van de jaren 1980, de eerste successen als schrijvers, de absurditeit van de roem, de spiegel van het maatschappelijke genderpatroon waarin ze altijd ‘de vrouw van’ bleef – hoe vaak Auster ook opmerkte dat zij ‘de intellectueel in de familie’ was – de liefde voor hun kinderen, de trots op hun dochter, schoonzoon en kleinkind, en het grote verdriet omtrent Austers zoon Daniël, die stierf aan een overdosis na de beschuldiging verantwoordelijk te zijn voor de dood van zijn tien maanden oude dochtertje Ruby. Ze maakt van hen beiden personages die zich met optimistische overgave aan hun gezin en werk hebben gewijd, dankbaar zijn voor het geluk dat hen te beurt is gevallen en merkten dat ook zij, met hun verstand en hun liefde en hun netwerk, niet op konden tegen sterkere krachten als verslaving, onverdraagzaamheid en geweld. Net als iedereen hebben ze niet geweten wat te moeten doen, zijn ze bang geweest, hebben ze verlies geleden.
Hustvedt doet ons bovendien naar haar huwelijk kijken als een soort organisme. Dat huwelijk was niet louter een formeel verbond tussen twee individuen, ze stelt het voor als een bestaansvorm parallel aan haar eigen individualiteit. Ze herinnert zich hoe ze vaak samen op hetzelfde moment op hetzelfde idee kwamen. ‘Paul zei ooit: “Als we nog honderd jaar met elkaar samenwonen, worden we één en dezelfde persoon”.’ Toch hadden ze elk hun eigen leven. Ze markeerden andere passages in de boeken die ze lazen, vielen elkaar niet lastig in hun schrijfkamers en ze is ervan overtuigd dat ‘hij geheimen mee in zijn graf heeft genomen’. De frase ‘we vielen deels samen’ vat goed wat ze bedoelt. Het is een ontroerende opmerking, omdat ze het een paar pagina’s eerder had over het concept intercorporealiteit van de Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty, waarmee hij aangeeft dat we niet louter geestelijk maar ook lichamelijk met anderen verbonden zijn. Hustvedt merkt bijna terloops op dat Merleau-Ponty zwangerschap louter als metafoor gebruikt, terwijl we natuurlijk allemaal in een ander mens hebben gehuisd. ‘Allemaal,’ of toch bijna allemaal, ‘komen […] we voort uit de seksuele omgang van onze ouders’ en dragen we die verbintenis in ons mee. Hustvedt gebruikt het idee om in te gaan op Pauls familiegeschiedenis, maar ze raakt hiermee ook aan een spookverhaal over samenleven.
Nogal wat gelauwerde hedendaagse verhalen gaan over de eenzaamheid of frustratie die je kunt ervaren in een huwelijk. Dat leidt dan tot een hobbelige tocht naar zelfontplooiing, met erotische fantasieën en een affaire, zoals in All Fours, of door het maken van kamers voor jezelf, zoals in de steengoede ‘levende autobiografieën’ van Deborah Levy. Van levensbelang zijn ze, slimme verhalen die alternatieven bieden voor verpletterende machtsstructuren. Maar we hebben ook verhalen nodig over samenleven die wel werken. Ook ‘het huwelijk’ bestaat uit een veelheid aan verhalen. Niet elk huwelijk moet een rem op de individuele groei van (een van) de partners zijn. Door te tonen hoe goed ze met Paul kon leven, hoe ze elkaar respecteerden en liefhadden en steunden in hun werk, hoe leuk het was, raakt Hustvedt paradoxaal aan iets bijna vernieuwends. Uiteraard is het oneindig veel makkelijker om elkaar te bewonderen en te steunen als de materiële context mee zit dan als je moet ploeteren. Toch is de lieve zorg waarmee ze haar huwelijk beschrijft – de briefjes, de grapjes, de aandacht – hetgeen wat me het meest geraakt heeft. Hustvedt maakt geen punt van radicale zorg, maar door de drieënveertig jaar te beschrijven waarin zij voor Paul en Paul voor haar en zij samen voor hun kinderen, familieleden en vrienden hebben gezorgd, creëert ze een wereld waarin dat normaal lijkt. En daarmee rebelleert ze tegen de tijdgeest.
Zoals The Care Collective een aantal jaren geleden schreef in hun The Care Manifesto (2020), hebben we de laatste decennia zorg opzijgeschoven ‘for individualised notions of resilience, wellness and self-improvement, promoted through a ballooning ‘self-care’ industry which relegates care to something we are supposed to buy for ourselves on a personal basis’. We moeten opnieuw manieren vinden om zorg als sociale vaardigheid en ondersteunende activiteit centraal te stellen (5). Voor The Care Collective gaat dat onder andere over nieuwe vormen van kinship, Hustvedt paste dat toe in haar huwelijk. Maar ze houdt haar blik niet louter op haar leven met Paul gericht. Aan het einde van het boek werpt ze haar blik op de Amerikaanse politieke situatie, en wat die met de samenleving doet.
We the people
In het hoofdstuk ‘Politiek, Paul en onrustbarende overtuigingen’ leest Hustvedt foeterend de krant:
Hoe kunnen jullie die tamme stukjes blijven schrijven, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is om overheidsvoorzieningen uit te hollen, de grondwettelijke scheiding der machten te negeren en buitenlanders die op onze hulp rekenen te laten verhongeren, te bestrijden en te vermoorden? Waarom noemen jullie hen conservatief, terwijl het gaat om een reactionair verbond van neonazi’s, witte christelijke nationalisten, despoten, miljardairs en hypocriete, gehoorzame angsthazen? Begrijpen jullie dan niet dat zo’n politiek eufemisme riekt naar bedrog en collaboratie? De maniakken die een ravage aanrichtten onder onze overheidsinstellingen en de betrekkingen met onze bondgenoten verstieren conserveren helemaal niets.
Ghost Stories is uitdrukkelijk een bewaarboek – Paul moet kunnen spoken – maar deze passage maakt voor mij duidelijk dat de betekenis die de schrijver aan bewaren geeft dat doel overstijgt. Om te kunnen samenleven, zouden we elkaar moeten kunnen bewaren; herinneren, maar ook beschermen tegen pijn, zorgen dat de ander kan blijven bestaan. Dat spreekt ook uit de reflecties die volgen op de geciteerde passage. Ze herinnert zich Pauls herinnering aan een bezoek aan Bergen-Belsen in de jaren ‘90 en hoe die opdook in zijn boek Winter Journal (2012), ze neemt ons mee terug naar het oorlogsverleden van haar ouders, naar de burgerrechtenbeweging met Martin Luther King, die opriep tot een beheerste woede die iets kan veranderen, en naar de machtsverhoudingen binnen het studentenprotest van de jaren 1960. Ze maakt geen gratuite verbanden en is zich eloquent bewust van haar eigen bevoorrechte positie. Als echo van de herinneringen aan haar leven samen met Paul toont ze ons hoe wij, burgers, in een recent verleden, ons samen hebben verzet en zo de wereld hebben veranderd. Het hoofdstuk lijkt daarmee ergens een echo van Joe Brainards I remember, nog een van Austers lievelingsboeken.
Veel optimisme spreekt er niet uit dat hoofdstuk. Het eindigt met het beeld van in elkaar zakkende, schuimende Amerikaanse monumenten en instellingen. Ze bleken niet, zoals gedacht, muurvast, maar van zeep gemaakt. Haar fundamenten haalt ze ergens anders. Een van de frases die Hustvedt aanhaalt als bindmiddel van haar relatie is ‘Team Blauw’. Team blauw verwijst naar een ervaring van de jonge Paul op zomerkamp, waar er werd gewedijverd voor de titel van beste team. Voor een keer ging het hier niet om sport. Wel om, zoals Auster erover schreef in Oracle Night, ‘gevoel voor de ironie van het leven en affiniteit met het absurde […] ook een zekere bescheidenheid en discretie, voorkomendheid jegens anderen, een milde, edelmoedige aard’. Voor Auster belichaamde zijn kampleider Bruce, van het Blauwe Team, al die waarden. Uiteraard bewierookt hij zichzelf als hij erover schrijft en uiteraard duikt er in Oracle Night een slimme echtgenote op die het personage geërgerd op zijn plaats zet als een snob. Toch blijven Hustvedt en Auster ‘Team Blauw’ als toetssteen gebruiken, een variatie op de riddercode.
Een andere zinsnede die opduikt is ‘We shall overcome,’ naar de traditional. Hustvedt schrijft dat ze plots in tranen uitbarst als ze het liedje op de radio hoort en dat ze niet kan duiden waarom precies. Ze kan het ‘niet herleiden tot een enkel verhaal of een enkele herinnering aan Paul’. Het is geen strijdlied, merkt ze op, maar een lied ‘over volharding en geduld tonen’. Misschien huilde ze wel om de ‘we’, als in ‘We the people of the United States,’ ‘het land dat we hadden verloren’? Ze heeft het liedje zo vaak samen met anderen gezongen, tegen de Vietnamoorlog, tegen Bush, na 9/11.
Met ‘Team Blauw’ en ‘We shall overcome’ toont Hustvedt wat verhalen kunnen doen, en dat is verbinden. Ja, het zijn verhalen uit een andere tijd en ja, de verbindende kracht van verhalen klinkt al te wollig in het licht van materiële ongelijkheid en structureel onrecht. Maar dragen niet alle goede verhalen de verloren tijd in zich? En zonder alternatieven voor de verpletterende kracht van het narratief van het individu komen we überhaupt nergens. ‘Team Blauw’ en ‘We shall overcome’, en het huis waarin ze een rol spelen, geven je een wereld waarin je wil leven. Dat zijn de verhalen die we nu nodig hebben.
Omdat ze dus een boek heeft geschreven waarin een liefdesverhaal uit veel verhalen bestaat, omdat ze toont hoe ongelooflijk betekenisvol (en leuk) zorgen voor kan zijn, en omdat ze aangeeft hoe je van wanhoop iets kan maken dat troost biedt, roem ik Siri Hustvedt andermaal als wijze schrijver. Lees Ghost Stories, het spookt er van de antwoorden.
Reacties
Annelies Vande velde
“Om te kunnen samenleven, zouden we elkaar moeten kunnen bewaren.”
Prachtig.
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.