Proza, Recensies

Alles van waarde is vloeibaar

Moet dwalen

Charlotte Mutsaers

In de moderne literatuur wordt er heel wat gedwaald en verdwaald, en al zeker aan het begin van verhalen. Dante’s allegorische epos La Divina Commedia is daar niet vreemd aan. Aan het begin van zijn ‘Inferno’ bevindt de dichter zich in een donker woud, afgeweken van het rechte pad. De symboliek is bekend: de verdwaler is moreel verloren; de rechte weg is die van de deugd. Maar Dante’s tocht is niet alleen een confrontatie met goed en kwaad, hij gaat ook over een mens op een kruispunt in zijn bestaan, over politieke kwesties, filosofisch-theologische vraagstukken en over de kunst zelf. Moet dwalen van Charlotte Mutsaers (1942) opent onmiskenbaar dantesk met twee personages die in een bos van het pad zijn afgeweken. De vierenzestigjarige Isi, voluit Isidorus Rudolf Witlamm von Waldorf, is een beroemd schrijver en kunstenaar. Samen met zijn echtgenote Fleur Vischbeen is hij in het bos van Métabief, Oost-Frankijk. Boleten plukkend hebben ze gewandeld door het bos, totdat ze volgens Fleur verdwaald raakten, wat Isi vurig bestrijdt. Wat er volgt op het verdwalen en de onenigheid, zal inderdaad zowel moreel als existentieel, filosofisch en esthetisch geladen zijn. Bepakt met die lading blijft de roman toch licht van toon, wat lezers van Mutsaers niet zal verbazen. Haar romans, gedichten en essays scheppen een wereld van frivole en verrassende onderlinge uitwisselingen tussen mens, dier en ding. De essaybundel Zeepijn (1999) was een ode aan de vele verbanden tussen de zee en de dennenboom. In de roman Koetsier Herfst (2008) wordt Maurice Maillot verliefd op een mobiele telefoon en bekommert zijn tegenspeelster Do zich om het lot van de kreeften. Ook Moet dwalen verzet zich tegen de onttovering, dat wil zeggen het onvermogen om de poëzie in de werkelijkheid te zien. Zoals Mutsaers het in een essay uit Zeepijn verwoordt: ‘’t Is zaak zo rabiaat mogelijk tegen de stroom van de onttovering op te roeien. Gelukkig heb ik al een bootje.’

Na de opening leren we het koppel beter kennen, en zo duurt het tientallen bladzijden voor de twee in beweging komen en de plek verlaten waar ze hun verdwaaldheid constateerden. En dan is het nog vooral hun virtuoze gestechel dat de handeling uitmaakt. Isi leerde de dertig jaar jongere docent vrouwenstudies Fleur tien jaar voordien kennen en is haar ondertussen ronduit beu. Hij ziet haar als enggeestig en rechtlijnig, waarvoor hij in hun gesprekken almaar bitsere termen bedenkt, terwijl zij hem een narcist vindt. Beiden redeneren vanuit vaste overtuigingen over het gender van de ander. Terwijl Isi een innige band heeft met zijn Opinel-mes, dat voor hem een ‘raadgever’ is, is Fleur volgens hem zoals ‘de meeste utilitair ingestelde vrouwen – en welke vrouw is dat nu eigenlijk niet’ – die ‘een mes alleen als gebruiksvoorwerp’ ziet.

Fleur weet niet dat Isi razend verliefd is op een ander. Zijn amoureuze ideaal is de Doubs, de Franse rivier die kronkelt door het gebied waar ze zich bevinden: ‘Tot nu toe is de Doubs de enige in zijn leven geweest die hem ware liefde heeft geschonken’. Op zijn achttiende maakt Isi kennis met haar tijdens een reisje met zijn ouders. Vanaf de citadel in Besançon ziet hij haar verleidelijk liggen. Het onbegrip van zijn ouders dat erop volgt, leidt tot een definitieve breuk. In wezen blijft Isi daarna een eenzaat, die menselijk contact mijdt en elders verbinding zoekt.

Wat Isi niet meer verborgen houdt voor Fleur, is dat hij van plan is een grote daad te stellen en korte metten te maken met haar. Het eerste deel van de driedelige roman eindigt wanneer ze aan een verlaten vakantiehuisje komen. Daar zal Isi, in het tweede deel, zijn daad stellen. Dat betekent echter niet het einde van de roman. In het derde deel van de roman ontmoet Isi in het bos een man bij wie hij begrip vindt. Zijn naam is Elan. Hun liefde voor elkaar is er meteen, ze is wederzijds en overrompelend. Wanneer de geschiedenis met Fleur zich lijkt te herhalen, scheiden hun wegen echter. In het allegorische slot van de roman komt Isi een laatste raadselachtige figuur tegen.

 

Driemaal dwalen

Mutsaers blaast het literaire motief van het verdwalen nieuw leven in, te beginnen met de meest letterlijke betekenis van het woord, het ‘voortgaan zonder den juisten weg te kennen’ (WNT). Daarbij steunt de roman nadrukkelijk op een lange literaire traditie, van Dante’s Divina Commedia tot het kinderliedje waaraan de romantitel ontleend is. Het verdwalen is niet de rampzalige toestand waar Fleur hem voor houdt, maar een wezenlijke en ambivalente ervaring. We leren Isi kennen als een mens die de zin (en dus richting) van het leven ziet in het geluk dat je onderweg naar het onvermijdelijke einde kan plukken. Verdwalen is beter dan het volgen van de rechte weg, die ‘het leven onder het mom van doelgerichtheid alleen maar korter en eentoniger maakt’.

Zo krijgt het verdwalen tevens vorm in een tweede woordenboekbetekenis ervan: ‘het mis hebben’ of ‘verkeerde denkbeelden aanhangen’ (WNT). De roman hekelt de rechtlijnigheid van Fleur, die het volgens Isi voortdurend bij het verkeerde eind heeft en starre aannames verkiest boven de wijsheid van de ervaring. Fleur staat daarmee tegenover de kronkelende vloeibaarheid van de Doubs. Isi is lyrisch over de rivier, omdat ze, vloeibaar en zacht, horizontaal beweegt, terwijl ze evenzeer een doel heeft. Vloeibaarheid is voor hem de uitweg uit de verstikking: ‘Aan stromen heeft alles en iedereen genoeg.’ Bedreigend is dan ook de droogte, niet alleen die van Fleur maar ook die van de grond. Door de aanhoudende droogte verdwijnt de rivier en verliest Isi zijn oriëntatiepunt in de streek en in zijn leven. De roman snijdt zo een ecologische problematiek aan, die hij koppelt aan de vervreemde relatie tussen mensen, dieren, dingen en de natuur.

Door middel van meanderende hoofdstukken en sierlijke zinnen weet Mutsaers die vraagstukken van het menselijke bestaan om te zetten in een al even indringende esthetische ervaring. Sterker nog, de twee zijn niet van elkaar te scheiden. Opmerkelijk is bijvoorbeeld de gehanteerde techniek van voorafspiegeling, die vanaf de allereerste pagina verduidelijkt dat Isi en de roman zelf op een doel afstevenen, terwijl ze voortdurend afwijken van hun rechte pad. De verteller, die nagenoeg de hele roman de waarneming en het denken van Isi volgt, heeft het aan het begin over een daad van Isi, ‘liefst vandaag nog, en liefst met enig elan’.  Daarmee wijst hij vooruit naar zowel de afrekening met Fleur als de ontmoeting met Elan. Ook al is de plot hier niet de kern van de zaak, nieuwsgierigheid en spanning zijn verzekerd.

Hoofdzaak zijn de bochten, sensaties en details die ons van het onafwendbare einde afleiden. Zoals in haar andere romans, verhalen en essays vertaalt Mutsaers die sublieme vorm van verdwalen in een geestige en levendige, associatieve stijl. De verteller en de personages stappen voortdurend af van het pad van de geijkte logica en laten zich leiden door intertekstuele ingevingen en het assocatiepotentieel van de taal. De roman laat de taal zelf stromen door metaforen verder uit te werken en versteende uitdrukkingen opnieuw vloeibaar te maken. ‘(J)e roer omgooien is niet niks’, parafraseert de verteller Isi’s gedachten, ‘Je kunt eraan bezwijken. En roeien met de riemen die je hebt, is ook al geen succesformule omdat dat afhangt van de roeispanen die je krijgt aangeboden. Waar het om gaat in iemands leven is de steun van een onverwoestbaar anker’. Elders zegt Isi, terwijl hij in bad zit, dat hij ‘niet iemand (is) met een geheime agenda, zeker niet in bad want dan wordt die agenda nat’. Niet toevallig is het water nooit ver weg in de beeldspraak.

Al die zijpaden brengen de lezer, zoals de personages, alleen maar dichter bij de ontroering en de hartstocht. Een van de andere woordenboekbetekenissen van dwalen is precies het ‘buiten zichzelven zijn door aandoening of opwinding’ (WNT). Isi voelt die overrompeling en passie als het over de Doubs gaat. Wanneer hij kennismaakt met Elan, die de geestdrift in zijn naam draagt, herontdekt hij deze hartstocht. De roman leert dat de extase door en door lichamelijk is: het liefst gaat Isi helemaal op in het water. Zijn levenspad wijst er ook al op dat hij hunkert naar die lichamelijke sensatie. Terwijl hij de Doubs aanvankelijk bestudeerde en beschreef in zijn boeken, zocht hij later toenadering door er aquarellen van te schilderen en uiteindelijk wil hij haar ‘als pur sang minnaar’ benaderen. Gaandeweg schieten kennis, woorden en uiteindelijk  beelden dus tekort. Isi ziet in dat de Doubs ‘zich op geen enkele wijze liet representeren’. Het doel is daarom de belichaamde ervaring van extase. Aan Elan zegt hij het zo: ‘Pas als mijn lichaam opspeelt weet ik dat het om iets wezenlijks gaat, iets waar ik me met huid en haar bij betrokken voel’.

De roman bulkt van de sprankelende taalsprongen en bruggen naar andere teksten, die de ideeën over extase en geborgenheid uitbouwen zonder ze dicht te timmeren. Vrijblijvend zijn het taalspel en de gulle verwijzingen nooit. Alleen al de lange naam van Isi gooit heel wat lijntjes uit. Niet alleen heet hij ‘Rudolf’, zoals een bekend rendier, en is hij daarmee verwant aan de eland (Elan), maar hij heet ook Witlamm en identificeert zich als een lam. Hij is van ‘zijn zachtheid […] beroofd’ door Fleur. Zoals het Lam Gods neemt hij de zonden der wereld weg, die in het danteske inferno opgevoerd worden. Het getuigt van het ingenieuze karakter van de roman dat we zo nog een tijd kunnen doorgaan zonder dat de doorverwijzing nietszeggend, banaal of pseudo-intellectueel wordt.

De avontuurlijke lezer kan zo ook het spoor van de vele dieren in de roman verder volgen: naast het lam is de vis Bijbels betekenisvol, bijvoorbeeld in Fleurs achternaam of een dode forel op Isi’s weg. En wie zich verwondert over de vleermuis die tot tweemaal toe opduikt in de roman, kan zich laten leiden naar het bekende gedachte-experiment van de Amerikaanse bewustzijnsfilosoof Thomas Nagel, What is it Like to Be a Bat (1974). Zoals Nagel raakt de roman aan de vraag of we met objectieve middelen de subjectieve ervaring van een ander kunnen kennen. Mutsaers stelde de kwestie al op scherp in haar roman Harnas van Hansaplast (2017) en stelt ze hier opnieuw aan de orde. Bij de geborgenheid die Isi en Elan nastreven hoort de empathie, die inhoudt dat men de ander van binnenuit begrijpt dankzij gedeelde, maar niet per se menselijke ervaring. Elan brengt die sensatie van begrip teweeg bij Isi: ‘Voor het eerst in zijn leven voelt Isi zich min of meer begrepen door een mens van vlees en bloed’. Lezers begrijpen op hun beurt dat Isi die ervaring wel kent uit de interactie met de Doubs.

 

Filosofie in actie?

Moet dwalen laat zich dus uitstekend lezen door een filosofische bril. Het oeuvre van Mutsaers ontwikkelt ideeën die aansluiten bij Gilles Deleuzes poststructuralistische filosofie, Bruno Latours actor-netwerktheorie en Thomas Nagels bewustzijnsfilosofie. Onderzoekers zoals Niels Cornelissen en Daniël Rovers hebben de filosofische affiniteit met Gilles Deleuze in Rachels rokje (1994) geduid, Sabrina Sereni plaatste het werk in een politiek filosofisch kader en Barbara Fraipont heeft dierfilosofische lijnen in het hele oeuvre onderscheiden. Ook Moet dwalen ent zich op het denken van Deleuze. Daarin past de manier waarop de Doubs wordt voorgesteld: de river kan niet gerepresenteerd of geïmiteerd worden, dus Isi mikt op een vorm van versmelting die bij Deleuze wording (‘devenir’) heet. Het is veelzeggend dat Elan Isi karakteriseert als ‘rivierachtig’: ‘Dat wórdende en tegelijkertijd dat doelbewuste dat niet te houden is, ook niet in rust. Vermoeiend maar ook aantrekkelijk’. Ondanks die duidelijke aansluiting bij de filosofie is Moet dwalen geenszins een statische of belerende ideeënroman. De filosofie zit in de actie. De voornaamste actie zit dan wel in het gewervel van de taal, de dialogen en de verbeelding, de roman zit wel degelijk vol spannende wendingen die een plotgerichte lezer op het kronkelende pad van de roman houden. Of om opnieuw met Elan te spreken: ‘Zullen we het filosoferen nu maar even achterwege laten en er de pas in zetten?’.

Met Moet dwalen schrijft Mutsaers verder aan een van de interessantste oeuvres uit de hedendaagse Nederlandse literatuur. De roman is stevig ingebed in een opvatting van literatuur die we uit Mutsaers’ Rachels rokje, Zeepijn en Koetsier Herfst kennen. Denk maar aan de associatieve stijl en het verweer tegen conventie en consensus. Tegelijk is Moet dwalen een nieuwe mijlpaal in dat oeuvre. De roman zet een mens neer in een existentiële inzinking die niet opgelost maar wel gesublimeerd raakt in een zintuiglijke, belichaamde ervaring van extase. Als er ergens een paradiso bestaat, dan is het daar.

Prometheus, Amsterdam, 2025
ISBN 9789044643282
288p.

Geplaatst op 12/06/2026

Tags: Charlotte Mutsaers, Dante, Gilles Deleuze, Moet dwalen, Thomas Nagel

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.