Proza, Recensies

Echo, liefde, lus(t)

Dikke kus, dag-dag

Claire-Louise Bennett (vert. Karina Van Santen en Martine Vosmaer)

Van alle dingen die ik Claire-Louise Bennett had kunnen vragen of vertellen – over haar schrijfgewoonten of onze gemeenschappelijke literaire helden, over hoeveel herkenning ik vind in haar boeken, de bekentenis dat ik haar Pond meermaals in badwater heb herlezen (de papieren omslag verraadt dat inmiddels) – wijzen de woorden die uit mijn mond rollen terwijl ze mijn exemplaar signeert op het grote aantal mensen in haar nieuwste boek. Very people-y. Ze moet lachen en knipoogt luchtig dat mensen tegenwoordig nu eenmaal overal opduiken en aanwezig zijn – can’t escape them!

In tegenstelling tot eerder werk van de Britse auteur wemelt Dikke kus, dag-dag namelijk van de anderen – (ex-)geliefden, leraren, schimmen uit het verleden. Uitgesprokener dan Poel en Kassa 19, en het voorlopig onvertaalde Fish Out of Water, is dit een boek over mensen en menselijke emoties en verlangens. We volgen opnieuw een naamloze protagonist, een schrijfster van begin veertig die opgroeide in Zuidwest-Engeland en bij aanvang van het boek op het punt staat om haar stadse appartement te verruilen voor een huisje op het stillere en groenere Ierse platteland. In de stilte dringen zich herinneringen en reflecties op. Ze mijmert over relaties en connecties, zowel amoureus en seksueel als platonisch en vriendschappelijk. Dat maakt Dikke kus, dag-dag net zo introspectief als Bennetts eerdere werk; ook hier ligt de focus in de eerste plaats op de innerlijke wereld van de verteller, maar dan met het verschil dat we tegelijk haar omgeving leren kennen, en op die manier eveneens een rijker, completer beeld krijgen van wie zij werkelijk is.

 

Tot in de kern

Dikke kus, dag-dag beweegt zich ergens tussen persoonlijke monoloog en het dagboek van de verteller. We percipiëren haar van achter die persoonlijke bedenkingen en bladzijdes, kijken mee terwijl haar gedachten langzaamaan vorm krijgen, en zijn er getuige van hoe zij zich positioneert in de wereld. De lezer van haar eerdere werk zal dit wellicht herkennen als typisch Bennett. Voor een hoofdpersonage dat gemakkelijk te doorgronden is of een traditioneel narratief met een duidelijke richting, moet je niet bij haar zijn; Bennett schrijft niet naar een eindpunt toe, maar cirkelt continu. Ze hervormt, verschuift, spiegelt. Tijd en perspectief schuiven voortdurend, zinnen maar ook langere fragmenten worden herhaald, herschikt, opnieuw verteld of aangevuld met nieuwe details. Het effect is dat je de tekst niet alleen leest maar ook heroverweegt. Alsof je steeds weer een ander laagje van haar wereld ontdekt, en hierdoor je eigen waarneming gaat bijschaven. Dikke kus, dag-dag lezen is reflecteren, terugbladeren, opnieuw afwegen wat je dacht te begrijpen. Naar het einde toe is er een fragment waarin de verteller tijdens een wandeling met haar vriendin Maeve een Amerikaans koppel kruist. Dit is niet toevallig een van de passages die herverteld worden: de wandelroute die ze volgen loopt in een cirkel en wordt ‘de lus’ genoemd – een toepasbare beschrijving voor de vertelvorm van Dikke kus, dag-dag. De lus die Bennett maakt voelt niet zozeer als een literaire truc, maar eerder als een existentiële beweging. Herhaling als inzicht. Cirkel als ontsnapping én als verheldering. Daarnaast is het typerend voor de dagboekvorm; het dagboek als bewijs dat het leven geen lineaire logica volgt, maar eerder een constante verschuiving van perspectief en hernieuwd bewustzijn.

Een constante in de dagboekaantekeningen zijn de wankele verhoudingen van de verteller met de mannen uit haar verleden. Het neerstrijken in de Ierse bossen valt bijvoorbeeld samen met het einde van een langdurige, gecompliceerde relatie met de veel oudere Xavier. Hun band is even moeilijk te interpreteren als te definiëren, want zweeft ergens tussen vriendschap, romance, pen pals en louter gezelschap. Soms teder, vaker verwarrend. Daarnaast ontstaat een correspondentie met haar voormalige leraar Engels, Terence Stone, die haar schrijft om zijn bewondering over haar schrijfwerk te uiten (in tegenstelling tot Xavier, die haar laatste boek ‘hel’ noemt). Ook haar briefwisseling met Terence Stone draagt een echo van het verleden: hij heeft weet van ‘de zaken’ die de verteller als tiener had met zijn collega Robert Turner, wiens dementie hem verhindert de wonden uit het verleden te verhelderen.

Vooral haar relatie met Xavier lijkt de kern te vormen van Dikke kus, dag-dag. Welke verhouding ze precies met elkaar hebben mag dan ambigu zijn, het is overduidelijk dat ze niet de allerbeste match zijn. Eerder dan een gezonde verhouding is dit een web van projectie, verlangen en weerstand. Zij vindt het bijvoorbeeld vaak niet prettig om hem te zien als ze thuiskomt na het werk, hij wil dan weer geen tijd doorbrengen met haar vrienden uit angst dat die interacties zouden botsen met zijn beeld van haar: “Ik ben de enige die jou op de juiste manier ziet,’ zei hij vaak’. Bennetts verteller realiseert zich dat Xaviers gedrag niet helemaal vrij is van machtsdynamiek (zelf gebruikt ze de woorden ‘verontrustend’, ‘narcistisch’ en ‘bezitterig’), maar vraagt zich tegelijk af of dat uiteindelijk niet gewoon is wat iedereen verlangt: ‘willen we niet allemaal dat onze geliefden dat geloven? Dat ze ons diep doorgronden, tot in de kern, en ons beter kennen dan wie dan ook? Hij zei veel dingen die onverdraaglijk leken maar als ik er later over nadacht leek het of hij gewoon zei wat de meeste mensen denken maar nooit van hun leven zouden uitspreken.’ Haar relatie met Xavier lijkt bovendien voornamelijk te drijven op onduidelijkheid en onverschilligheid: ‘hij hield mijn hand vast en dat kan geen kwaad’, ‘nu ik [verhuisd] ben vind ik het best prettig dat Xavier niet weet dat ik niet meer ben waar ik was’, ‘of de verhoudingen tussen ons gunstig of ijzig zijn maakt niet uit’.

Daarnaast lijken ze voortdurend naast elkaar te communiceren, ondanks de moeite die ze onmiskenbaar trachten te doen: ‘Ze doen pogingen tot communiceren – vooral hij doet erg zijn best, maar zij weifelt.’, ‘Ze besteden aandacht aan elkaar maar niet hetzelfde soort aandacht en mogelijk met verschillende oogmerken.’ Ze slagen er nooit helemaal in om elkaar te lezen. Het helpt dan ook niet dat de verteller het gevoel heeft dat er iets aan hem is wat onthuld moet worden’, terwijl Xavier liever niet heeft ‘dat zijn illusies hem worden ontnomen – hij vindt ze juist prettig en is van mening dat er niet veel anders is: ‘Het leven is een illusie,’ zegt hij vaak, ‘maar dat wist je vast al’.’ Hun woordenwisselingen zijn vaak gevechten om perspectief en interpretatie. Zo is er de discussie over wie van de twee het meeste oog heeft voor de ander:

De waarheid is dat ik mijn ogen niet van hem af kon houden. Hij keek nauwelijks naar mij. Dat vertelde ik hem op een dag omdat hij zei dat hij zijn ogen niet van me af kon houden. Hij volgde elke beweging die ik maakte, zei hij, en ik veranderde steeds. ‘Heel opmerkelijk,’ zei hij, en ik zei: ‘Je kijkt nooit naar me,’ en hij zei: ‘Ik kijk als jij niet kijkt,’ en ik zei: ‘Ik kijk altijd,’ en hij lachte en zei: ‘Misschien niet zoveel als je denkt.’

Je zou dit kunnen lezen als gaslighting of als naïef egocentrisme, of simpelweg als de oprechte onbeholpen tactloosheid van een oudere man. Bennett laat het open — niet om hem te sparen, maar om ambiguïteit te eren als realiteit. De vraag is niet simpelweg ‘is zijn gedrag slecht?’, het gaat eerder om onderliggende vragen zoals ‘wat doet macht met verlangen?’ of ‘hoe percipieert een vrouw zichzelf door zulke blikken?’. Die genderlaag is subtiel maar scherp. Bennett schrijft zonder oordeel, laat vooral zien hoe haar verteller de voorvallen ervaart; ze staat stil bij het beeld dat mannen van haar hebben, zonder zich ooit naar dit beeld te plooien. Haar gesprekken met Xavier tonen geregeld een patroon van mannelijke minimalisering van vrouwelijke gevoelens. Zijn reacties op haar ervaringen tonen aan hoe ervaringen van vrouwen niet altijd (meteen) geloofd worden, en hoe mannen daarenboven het gedrag van andere mannen verantwoorden om hun eigen schuldgevoelens te sussen. Ook op deze manier sluimert in Dikke kus, dag-dag dat spanningsveld tussen gezien en bepaald worden, tussen voelen en interpreteren.

Naar het einde van het boek toe laat Bennett de dagboekstem overgaan in een eerder essayistische beschouwing over Michael Hanekes film La pianiste, waarin protagonist Erika de grenzen aftast tussen verlangen, vernedering en zelfconfrontatie. Hier spreekt niet zozeer de innerlijke stem van de verteller, maar Bennett als denker die reflecteert op wat haar roman elders belichaamt. Het essayistische stuk zoomt in op emancipatie en seksuele vervulling, en ook hier speelt de spanning tussen kijken en ervaren, tussen verlangen dat op afstand blijft en dat zich direct in het lichaam nestelt. De verwijzing naar La pianiste voelt hierdoor niet als uitweiding, maar als focuspunt, een scherpe blik op vrouwelijke verlangens die zich losmaken van de ogen en fantasieën van anderen, ‘een opgezweepte vastbeslotenheid om zichzelf onder ogen te zien’.

 

Vanuit verlangen

Het experimentele proza van Bennett bereikt zijn hoogtepunt in de passages over lichamelijke nabijheid. In Dikke kus, dag-dag is dit het meest voelbaar in de indringende beschrijvingen van seksuele beleving, waarbij de taal zich lostrekt van grammaticale grenzen en de woordenstroom nog vrijer, vloeiender en koortsiger aanvoelt. In een interview met The Observer zegt Bennett dat ze niet over maar vanuit liefde wil schrijven. Op eenzelfde manier schrijft ze niet zozeer over verlangen, maar eerder vanuit verlangen: de woorden volgen het lichaam, ademen, kronkelen, laten zich meeslepen door intensiteit, ritme en sensatie. De taal belichaamt wat ze beschrijft, het ritmische proza symboliseert de overgave die verlangen teweeg weet te brengen:

… zijn adem, ja, die op mijn sleutelbeenderen kapseisde, mijn borsten spreidde en onthulde, het was zijn adem, ja de zijne, die over mijn buik spiraalde, ter hoogte van mijn opwinding kwam, draalde bij mijn opwinding als een hurkend beest bij de ingang van een onbekend hol, haar leek te onderzoeken, zijn adem onderzocht mijn opwinding, zag het hele ding, de compacte honger en de gesluierde diepten van die honger en de bont geschakeerde geschiedenis van die honger en de chtonische kracht van die honger en de roekeloosheid en gretigheid en schaamteloosheid, allemaal van mij, die me allemaal vloerden, me allemaal op mijn knieën brachten.

Hier wordt duidelijk hoe schrijven, (vrouwelijk) verlangen en sensoriële ervaring in Bennetts proza samenkomen in een ritme dat de lezer meeneemt. De lezer beleeft bijgevolg de verteller van binnenuit – elke impuls, elke ademhaling, elke toewijding. Wat verder in Dikke kus, dag-dag trakteert de verteller ons op een zelfdefinitie die tegelijk Bennetts schrijfstijl en poëtica treffend samenvat:

Ik ben impulsief. Ik ben intens. Ik zie dingen uit een andere hoek. Ik ben geneigd vertrouwelijkheden uit te lokken en loop daardoor het risico te ver te gaan. […] Uiteindelijk kan het me niet veel schelen dat ik me laat meeslepen en mezelf voor schut zet. Het alternatief is doodgaan van verveling, het alternatief is opgewekt zijn en gewoon doorgaan, het alternatief is met een lepel mijn hersenen eruit scheppen, het alternatief is te veel drinken en zwijgzaam en verknipt worden, het alternatief is me helemaal niet vertonen en ik heb al die dingen gedaan maar me af en toe laten meeslepen en mezelf voor schut zetten is uiteindelijk zoveel makkelijker te verdragen.

Hieruit spreekt een soort koortsige impulsiviteit en overgave, een intense wil om te voelen en te beleven, tegelijk met een scherp zelfbewustzijn. Typerend voor Bennetts proza is die dualiteit: alles is tegelijk vaag en extreem precies, intiem en afstandelijk, speels en scherp. Er is een voortdurende spanning tussen taal en ervaring, tussen beheersing en loslaten. De taal volgt het denken, het lichaam, het voelen. Bennetts verteller observeert zichzelf terwijl ze zich laat meeslepen door haar eigen driften. In dat ritme ontvouwen zich zowel impuls als reflectie, verlangen en zelfbewustzijn. Bij Bennet is niets ooit zomaar vanzelf grijpbaar.

 

Tussen woorden en blikken

De rode draad die in Dikke kus, dag-dag loopt, is er een van (mis)communicatie en (mis)interpretatie. Bovendien wordt er over communicatie en interpretatie gecommuniceerd, al is dat niet altijd even verhelderend:ik vraag me af of ik het begrijp – het klinkt allemaal erg ingewikkeld’, ‘Het is ook een beetje ingewikkeld.’ Net als in Poel en Kassa 19 zet Bennett een verteller neer die geregeld durft doordraven en die vanzelfsprekendheden voortdurend overdenkt. In Dikke kus, dag-dag krijgt dat overpeinzen voornamelijk gestalte in het overanalyseren van sociale interacties die voor anderen doorgaans simpel of gangbaar zijn. Terwijl ze voor haar omgeving meestal een raadsel is, komt ze voor de lezer heel zelfreflectief en open over. Ze staat stil bij de dingen die ze denkt en voelt, bij de mogelijke oorzaken daarachter. Ze probeert almaar te achterhalen wat ze zelf eigenlijk wil, onder meer door haar dagboek te vullen met waarom-vragen. Dat wil echter niet zeggen dat de lezer haar wel helemaal kan doorgronden; haar redeneringen zorgen namelijk vaak voor extra verwarring.

Verheldering vinden we voornamelijk in de momenten waarop wordt ingegaan op correspondentie – een andere constante lus in Dikke kus, dag-dag. De verteller krabbelt niet alleen haar dagboekbladzijdes vol, ze schrijft en beantwoordt brieven, denkt na over de voicemailberichten die ze zou kunnen inspreken, voert Skypegesprekken en pillow talk. Vooral geschreven correspondentie biedt tijd en ruimte om stil te staan bij emoties, die niet meteen aan de blik van de ander worden getoetst, maar even kunnen bezinken en vorm krijgen. Desondanks leiden die extra tijd en context niet vanzelfsprekend tot (zelf)begrip, zeker voor een verteller die geneigd is iedere interactie of gedachte te analyseren en herkauwen. Alles in Dikke kus, dag-dag komt telkens hierop neer: het onvermogen om echt begrepen te worden, ook al ontbreekt het niet aan context en is er alle ruimte voor duiding.

Voor de verteller voegen communicatievormen zich bovendien naar haar persoonlijke, fijn afgestelde gevoelslogica. Voorkeuren hangen af van hoe ze zich voelt of waar ze zich bevindt. Mails ontvangt ze bijvoorbeeld het liefst wanneer ze onderweg is, bedenkt ze terwijl ze door het treinraam naar buiten kijkt: ‘een mail van Terence Stone zou precies kloppen op dit moment’. Voor telefoongesprekken bestaat dan weer vaak een slechte timing. Zo ervaart ze het als lastig om met Xavier te bellen wanneer er ondertussen iets anders aan de hand is of wanneer hij haar laatst verstuurde brief nog niet beantwoord heeft. Communicatie is voor Bennetts verteller zelden louter een neutraal doorgeefluik van informatie, maar eerder een kwestie van timing, stemming en zintuigelijke aanwezigheid. Zo vindt ze het moeilijk om de woorden die iemand anders schreef luidop te lezen omdat ze ‘de juiste stem’ niet altijd te pakken krijgt, ze krijgt rillingen omdat iemands handschrift nauwelijks ruimte laat tussen de woorden, of besluit van haar brief een e-mail te maken omdat ze een andere toon wil aannemen en overbrengen. Voor haar raken communicatie en correspondentie aan iets fundamentelers: de vraag wie ze is en waarom ze schrijft, en of ze zichzelf kan kennen buiten de blik van de ander.

Typisch Bennett is dat ze de lezer niet alles geeft. Ze vult niet op, laat een hoop in het midden, forceert geen duidelijkheid. Je hoeft als lezer niet alles te begrijpen. In Bennetts wereld bestaan overigens geen harde waarheden. Toch voelt Dikke kus, dag-dag mogelijk iets toegankelijker dan eerder werk van de Britse auteur, juist omdat het zo doordrenkt is van herkenbare menselijke gevoelens, van liefde in al haar ongrijpbare vormen. Liefde bestaat net zo goed in wat onuitgesproken blijft, in wat tussen de woorden zweeft. Denk aan hoe een crush vaak een ‘lack of information’ genoemd wordt. Op eenzelfde manier kunnen we ons afvragen in hoeverre ‘elkaar begrijpen’ eerder een projectie  is, en wat de mensen die we liefhebben onthullen over onszelf. Dikke kus, dag-dag reveleert hoe onvermijdelijk we met anderen verweven zijn en toont dat we gevormd worden door elk contact, ieder gesprek, iedere blik. Identiteit is geen vaste kern, maar iets wat voortdurend verschuift en telkens opnieuw ontstaat in relatie tot de ander. Bennetts boek is op die manier een aanhoudende oefening in begrijpen en inschatten. In mensen lezen, verkeerd lezen, opnieuw lezen. In het besef dat aan die beweging niet te ontsnappen valt, net zoals aan mensen niet te ontsnappen valt: can’t escape them – they’re everywhere!

Koppernik, Amsterdam, 2025
Vertaald door: Karina Van Santen en Martine Vosmaer
ISBN 9789083535616
178p.

Geplaatst op 18/02/2026

Tags: Claire-Louise Bennett, dag-dag

Categorie: Proza, Recensies

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.