De fragmentarische roman beleeft een opleving. Onlangs nam Leonieke Baerwaldt de BNG Literatuurprijs in ontvangst voor Dagen als vreemde symptomen (2024), dat in korte passages verhaalt over een moeder die worstelt met de zorg voor haar meervoudig beperkte dochter. Ook Ilse Josepha Lazaroms oogstte lof met haar korte roman Elders (2024), over een alleenstaande moeder die terugblikt op alle verschillende plekken waar ze ooit woonde en de herinneringen die ze er creëerde.
Eerder veroverde Femke Brockhus de harten van critici met het fragmentarische Kleine haperende vluchten (2022), waarin een moeder twee weken na de geboorte van haar eerste kind spoorloos verdwijnt. Ook in de meest recente toevoeging aan haar oeuvre, Beesten die je niet mag schieten (2025), koos ze voor deze staccato vorm: deze ‘roman in scherven’, aldus de achterflap, toont het leed van de moeder van een van de tienerdaders van het bloedbad op Columbine High School, eind jaren negentig in de Amerikaanse staat Colorado.
Ook Lieselot Mariën koos in haar debuutroman Als de dieren (2025) voor een fragmentarische vorm, waarbij de korte stukken tekst regelmatig sterk links of rechts zijn uitgelijnd. Het is een vorm die uiting geeft aan de dualiteit van het kersverse moederschap: we volgen een vrouw die worstelt met depressieve gevoelens na de komst van haar eerste kind. Eveneens in dit rijtje past Dezelfde maan van Dorien Dijkhuis (2024), waarin een jonge vrouw zich afzondert op een eiland om haar gevoelens over het mogelijke moederschap op een rijtje te zetten, en daarbij houvast zoekt in wetenschappelijke feiten, met name over natuur en taal.
Het zal de oplettende lezer opvallen: deze romans zijn niet alleen gelijksoortig in vorm, maar ook in inhoud. Stuk voor stuk verhalen ze over een aspect van het moederschap, en dan met name over de worsteling die deze rol met zich meebrengt. Blijkbaar doen korte, vaak poëtische passages voor veel schrijvers meer recht aan die ervaring dan een rechtlijnig verhaal.
Om te kunnen onderzoeken waar die voorkeur vandaan komt, is het goed eerst vast te stellen wat de fragmentarische roman precies behelst. Vaak laat die zich kenmerken door korte passages, waarin voortdurende wisselingen plaatsvinden in tijd, plaats, ruimte en perspectief. Waar de traditionele roman op een film lijkt, kan de fragmentarische roman het best worden vergeleken met een reeks foto’s, waaruit de lezer, door de beelden met elkaar in verband te brengen, zelf een belangrijk deel van de betekenis moet construeren. In die zin houdt de fragmentarische roman soms het midden tussen proza en poëzie: een betekenisvolle leeservaring ontstaat niet alleen door de woorden letterlijk te nemen, maar juist ook door tussen de regels door te lezen.
De fragmentarische roman is geen nieuw verschijnsel. Zo koos Louis Paul Boon in de jaren vijftig in De Kapellekensbaan (1953) al voor een dergelijke structuur. Hierin vertelde hij de levensgeschiedenis van het meisje Ondine aan de hand van anekdotes, commentaren en kritieken van allerhande personages die te pas en te onpas het verhaal onderbreken. Boons roman werd destijds bestempeld als een vorm van subjectief realisme, passend bij het groeiende besef dat literatuur de werkelijkheid niet optimaal weergeeft door simpelweg een opsomming van feiten op te dissen, maar juist door de individuele interpretatie van de werkelijkheid bloot te leggen.
Datzelfde inzicht klinkt door in de hierboven genoemde romans. De auteurs doen geen poging een objectieve weergave van het moederschap te bieden, maar benadrukken met de gekozen vorm de subjectieve ervaring van de hoofdpersonages. Dat doen ze allereerst met veelvuldige wisselingen in perspectief, tijd, plaats en ruimte. De daadwerkelijke focalisatie blijft in vrijwel al deze romans bij de moederfiguur liggen, maar daarbinnen vinden wel degelijk sprongen plaats. Zo aanschouwt de naamloze hoofdpersoon van Als de dieren zichzelf meermaals van buitenaf:
Wanneer ik voorzichtig de deur een stukje openduw, zie ik haar in de keuken staan. Een vouw van een jaar of dertig, op kousenvoeten. Haar haren zijn even lang als de mijne. Ze draagt een jeansrok en de groene trui die ik al maanden kwijt ben. Ze staat met haar rug naar de deur, opent kastdeuren en laders, vindt moeiteloos wat ze zoekt.
Met passages als deze suggereert Mariën dat een groot deel van de wervelstorm enkel in de gedachten van haar hoofdpersonage plaatsvindt: plichtmatig stapt ze in de rol die van haar als moeder wordt verwacht, maar onder de oppervlakte hopen allerlei gevoelens van angst en onbegrip zich op.
Ook in Brockhus’ roman Beesten die je niet mag schieten vinden dergelijke sprongen plaats. Drie verhaallijnen cirkelen rond de vraag of de moeder de gruweldaden van haar zoon had kunnen zien naderen of zelfs voorkomen. Passages waarin ze terugblikt op de jeugd van de jongen worden afgewisseld met cursieve delen die in kille, afstandelijke politietaal het verloop van die ene duistere dag beschrijven, aangevuld met beschrijvingen over het leven dat nu, na dit drama, onvermijdelijk voortgaat. Zo lezen we afwisselend hoe de zoon zich in zijn puberjaren al steeds vaker terugtrok, hoe het besef van zijn misdaad in de loop van de bewuste dag steeds verder bij de ouders doordringt en hoe de twee elkaar langzaam maar zeker kwijtraken in hun verschillende benadering van hun verdriet.
Het feit dat deze korte hoofdstukken zo nadrukkelijk met elkaar vervlochten zijn, benadrukt dat denken geen lineair proces is: in een poging tot verwerking lopen verleden, heden en een mogelijke toekomst dwars door elkaar heen. Het fragmentarische karakter maakt de chaos in het hoofd van de moeder invoelbaar en laat zien hoe de werkelijkheid soms bijna onverwerkbaar wordt. Bovendien speelt in al deze verhaallijnen de blik van de buitenwereld een grote rol: de media en dorpsbewoners maken het, met al hun kritische verhalen, roddels en bedreigingen, voor de ouders zelfs onmogelijk om tot rouwverwerking over te gaan. Die steeds luider klinkende stemmen zorgen voor een dualiteit in de gedachten van het hoofdpersonage: haar eigen schuldgevoelens en de aantijgingen vanuit haar omgeving lopen dwars door elkaar heen.
Ook in de andere aangehaalde romans klinkt het perspectief door van de maatschappij die vol oordelen naar de moeders kijkt. Die stem is vol onbegrip over het denken en handelen van deze moeders: hoe het kan dat je niet direct wordt overstelpt door liefde voor je pasgeborene (Als de dieren) of waarom het je niet lukt voor je eigen kind te zorgen, ook niet als dat zwaar gehandicapt is (Dagen als vreemde symptomen). Aan deze stem wordt in de romans soms zelfs expliciet gerefereerd als een koor, verwijzend naar de functie van het koor in klassieke tragedies, dat vaak de maatschappelijk gewenste mening verkondigde.
In deze romans vinden we meer implicietere en explicietere verwijzingen naar de literatuurgeschiedenis. Het meest sprekende voorbeeld treffen we in Dagen als vreemde symptomen, waarin de hoofdpersoon de naam Sisyphus draagt, verwijzend de figuur uit de Griekse mythologie. Hetzelfde lot ondergaat de moeder in Dagen als vreemde symptomen: dolend door de hel met een lege rolstoel zoekt zij naar haar dochter, die ze moet ophalen uit het dagcentrum. Wanneer die missie mislukt, keert ze telkens weer teleurgesteld terug naar de aftandse benedenwoning van een zonderling appartementencomplex.
Ook het hoofdpersonage van Als de dieren zoekt houvast in klassieke mythen over het moederschap. Meermaals verwijst ze naar Inanna, de belangrijkste godin van de Soemerische religie. In de loop der tijd kreeg zij verschillende rollen toebedeeld; zo was ze niet alleen de godin van de hemel, de vruchtbaarheid en de liefde, maar ook de godin van de oorlog en de prostitutie en beschermer van de wilde dieren. Die tegenstrijdigheid past maar al te goed bij de gevoelens die in Als de dieren om voorrang vechten: het moederschap mag door velen worden beschreven als een roze wolk, voor de ik-figuur is het een duistere ervaring.
Centraal in Mariëns roman staat Inanna’s afdaling in de onderwereld, op zoek naar haar zus. Daarbij passeert ze zeven poorten, waar ze zichzelf telkens van iets moet ontdoen, waardoor haar kwetsbaarheid groeit. Die transitiemomenten vormen de structuur van Als de dieren, dat in zeven delen uiteenvalt. De ik-figuur daalt steeds verder af in de donkerte van haar emoties, verliest het contact met de lichte wereld daarboven en de mensen die er rondlopen. Niet voor niets opent Als de dieren met motto’s uit Dantes Inferno (jaartal) en Vergilius’ Aeneis (jaartal), waarin eenzelfde reis door het zwart centraal staat.
Ook al verhalen deze klassieke mythen niet expliciet over moederschap – sterker nog: vaak spelen vrouwen niet eens een rol – ze helpen toch aan het moederschap gerelateerde ervaringen te verwoorden. Ze geven uiting aan de dolende aard en de ogenschijnlijke eindeloosheid van de situatie, die, zo laten deze eeuwenoude verhalen zien, niet beperkt zijn tot het moederschap, en geven deze ervaringen daarmee een universeel en tijdloos karakter.
Daarnaast wordt in de genoemde romans regelmatig teruggegrepen op vrouwelijke auteurs wier oeuvre en levensloop getuigen van een worsteling met het vrouw-zijn in het algemeen en met het moederschap in het bijzonder. Zo verwijst Dijkhuis in Dezelfde maan naar schrijvers Alice Munro, Maya Angelou en Sheila Heti, die beschrijven hoe lastig het moeder-zijn en het schrijverschap met elkaar te combineren zijn. Ook in Brockhus’ oeuvre vinden we geregeld verwijzingen naar Virginia Woolf en Sylvia Plath, wier werk en zelfgekozen levenseinde eveneens getuigen van de welhaast onmenselijke druk op de vrouwelijke maker. Plath speelt ook een rol in Elders, aangevuld met anekdotes over onder meer Anne Sexton, die ook eigenhandig een einde aan haar leven maakte.
Niet voor niets zijn de hoofdpersonages van de hier besproken romans zelf vaak schrijvers: zij voelen dezelfde verscheurdheid in hun pogingen het auteur- en moederschap met elkaar te combineren. Zo wordt de schrijvende hoofdpersoon in Elders steeds onderbroken door haar dochtertje dat de kamer binnenkomt, en wordt in Kleine haperende vluchten de suggestie opgeworpen dat de jonge moeder haar gezien verliet omdat ze in haar nieuwe leven onvoldoende ruimte vond voor het schrijverschap.
Deze specifiek vrouwelijke ervaring staat vaak in schril contrast met de vaders die in de romans worden opgevoerd. Zij zijn nagenoeg helemaal afwezig, zoals in Elders, verlaten hun partner, zoals in Beesten die je niet mag schieten, of kijken van een afstandje toe hoe de moeder worstelt met haar rol, zoals in Als de dieren en Dagen als vreemde symptomen. De mannen dragen, door lichamelijke verschillen en nog immer heersende maatschappelijke normen, duidelijk niet dezelfde last als hun partners: eerder stellen zij zich, indien aanwezig, verwijtend op, vol onbegrip over de worsteling die de moeders doormaken.
Regelmatig beroepen de hoofdpersonages in de genoemde romans zich ook op wetenschappelijke literatuur. Het meest expliciet wordt dit in Dezelfde maan. Daarin grijpt de hoofdpersoon continu terug op allerlei wetenswaardigheden, die steeds verband houden met de particuliere zoektocht van de ik.
Zo geeft Dijkhuis op een impliciete manier inzicht in de zoekende gevoelens van haar hoofdpersoon. Misschien kan die, ronddolend met al dat verse verdriet, op dit moment ook niet anders: wellicht is de waarheid zelf nog te kil en kan ze dus alleen nog haar toevlucht nemen tot de feiten. Ze kan niet beschrijven hoe eenzaam ze zich voelt, maar kan wel noteren dat slechts tien procent van alle dingen die in zee belanden ooit ergens aanspoelt, en dat de oceanen waarschijnlijk dus vergeven zijn van de flessenpost die nooit zal aankomen.
Ook in de andere romans worden regelmatig feitelijke passages ingezet om indirect inzicht te bieden in het wel en wee van de hoofdpersoon. In Beesten die je niet mag schieten lezen we met name over standaardprotocollen, bijvoorbeeld over de omgang van de media met misdrijven waarbij minderjarigen betrokken zijn en de manier waarop werknemers moeten omgaan met de terugkeer van de moeder naar haar baan op een hogeschool. Als de dieren is doorspekt met lemma’s over natuurfenomenen, zoals amoebes, waarbij een moedercel zich in twee even grote, identieke dochtercellen splitst, cryptobiose, een toestand waarin een organisme diens metabolismeactiviteiten tot zo goed als nul terugbrengt, en broedparasiet, een dier dat haar eieren in het nest van een ander legt, in de hoop dat het gastdier voor de jongen zal zorgen. Op indirecte wijze laten deze begrippen zien hoezeer de ik-figuur soms de behoefte voelt haar verplichtingen van zich af te schudden en te verdwijnen.
Bovengenoemde beschrijvingen laten zien hoe veelkantig het beeld van het moederschap is dat via de gekozen collagevorm wordt geschetst: via korte passages wordt zowel de persoonlijke ervaring als de inbedding in de literatuurgeschiedenis beschreven, met uitstapjes naar wetenschappelijk proza, bijna alsof via die routes legitimering kan worden gevonden voor de eigen ervaring. Bovendien wordt in het eigen denken continu de blik van de buitenwereld geïntegreerd, met luid klinkende oordelen over wat goed en slecht moederschap zou inhouden. Dat voor het samenbrengen van al die verschillende stemmen een fragmentarische vorm wordt gekozen is daarmee logisch.
Het fragmentarische karakter van deze romans wordt bovendien sterk bepaald door het moederschap zelf: dat knipt de tijd op in kleine brokjes, doordat het handelen – en in sommige gevallen het schrijven – continu onderbroken wordt door een kind dat om aandacht vraagt. Niet voor niets heeft het hoofdpersonage in Elders besloten haar denk- en schrijfwerk naar de nacht te verplaatsen: dan kan ze hopelijk wel ongestoord haar gang gaan en in de dozen en koffers duiken die samen haar levensverhaal vormen. Zelfs wanneer de tijd voor zulke exercities er wel is, neemt de vermoeidheid de overhand, waardoor de productie van langere gedachtespinsels niet tot de mogelijkheden behoort.
Zo tonen Brockhus, Baerwaldt, Mariën, Dijkhuis en Lazaroms de particulariteit van het moederschap in allerlei situaties en fasen: van twijfels over het mogelijk aanstaande moederschap tot de klap van het veranderde leven in de eerste maanden, van het leren leven met een kind dat niet volledig gezond is en daardoor extra hulp nodig heeft tot de rouw om een kind dat zichzelf en anderen het leven benam. Met de gekozen vorm laten deze auteurs zien wat de impact is van het moederschap op een vrouwenleven en doorbreken zij nog immer heersende taboes over het zogenaamd perfecte moederschap. Bovendien tonen zij de worsteling van de combinatie van schrijver en moeder zijn, en zoeken zij naar nieuwe manier om die strijd in woorden te vatten.
Een essay door Anne van den Dool over de volgende werken:
Dagen als vreemde symptomen
Leonieke Baerwaldt
2025
Uitgeverij Querido
232 pagina’s
ISBN
9789021468631
Kleine haperende vluchten
Femke Brockhus
2022
De Bezige Bij
165 pagina’s
ISBN
9789403177717
Beesten die je niet mag schieten
Femke Brockhus
2025
De Bezige Bij
228 pagina’s
ISBN
9789403129129
Dezelfde maan
Dorien Dijkhuis
2024
Uitgeverij Van Oorschot
128 pagina’s
ISBN
9789028231047
Elders
Ilse Josepha Lazaroms
2024
Atlas Contact
136 pagina’s
ISBN
9789025475611
Als de dieren
Lieselot Mariën
2025
Uitgeverij Das Mag
312 pagina’s
ISBN
9789493320833
Reacties
Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.