Proza, Recensies

‘Niet wijs, geen inzicht’

Herfstdraad

Jamal Ouariachi

De laaglandse dijken staan niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk onder druk: het Hollandse poldermodel, waarin het compromis hoog in het vaandel staat en partijen hun scherpste ideologische speerpunten intrekken om pragmatisch te kunnen besturen, dreigt te worden weggespoeld. De situatie die ervoor in de plaats komt wordt meestal getypeerd met het containerbegrip dat een paar rijen hoger in dezelfde kolom van het woordenboek staat: polarisatie. Links en rechts, de traditionele politieke kampen, komen steeds verder uit elkaar te staan, en de vele oververhitte discussies tussen hun vertegenwoordigers dwingen twijfelaars en bijstanders om een kant te kiezen. Deze ontwikkeling is nog in volle gang, waardoor de historische en journalistieke kaders tamelijk onvast zijn. Begon het nou met Fortuyn, De Wever, Wilders, Klaver, Trump, Black Lives Matter of Baudet? Was het van de universiteiten afkomstige ‘identiteitspolitiek’, of eerder de opkomst van de ‘Alt-Right’ of van ‘Woke’? De moderne geschiedschrijvers zijn er klaarblijkelijk nog niet uit, maar voor vele anderen is het inmiddels duidelijk dat het redelijke midden, in de woorden van essayist Gijsbert Pols, ‘onhoudbaar’ is geworden.

Schuilt er ook engagement in de afwijzing van deze status quo? Jamal Ouariachi (1978) lijkt te denken van wel. Na de publicatie van vier romans en een verhalenbundel liet hij zich de afgelopen jaren vooral gelden als ‘opiniemaker’ voor kranten als Trouw, De Standaard en NRC-Handelsblad. In zijn columns en essays leverde hij harde kritiek op zowel progressieve als conservatieve standpunten, waarmee hij een nieuwe schare volgers vergaarde. Ook in zijn literaire proza treedt hij nu als commentator naar voren: met zijn jongste boek Herfstdraad (2022) schreef Ouariachi de eerste grote roman over de particuliere politieke spanningen van het heden – ogenschijnlijk, althans.

 

Politieke satire?

Het verhaal laat zich snel samenvatten. Een naamloze schrijver en zijn vriendin Liek, werkzaam als leraar Frans, hebben Amsterdam verruild voor een net wat noordelijker gelegen provinciestadje (waarschijnlijk gemodelleerd op Zaandam of Purmerend). Hier hopen ze meer ruimte te hebben voor hun jonge dochter Salina en zelf tot rust te komen. Van dat laatste komt echter weinig terecht. De verhuisdozen zijn nog niet uitgepakt of er staat iemand voor de deur die de jonge ouders erop attendeert dat ze geacht worden de wekelijkse bijeenkomsten van buurtcollectief Het Kruispunt bij te wonen. Deze avonden blijken in het teken te staan van de ervaringen van lokale mensen van kleur, waarbij ‘micro-agressies’, alledaags racisme en wit privilege op soms confronterende wijze aan de kaak worden gesteld.

Liek is geïnteresseerd, alleen vindt haar echtgenoot het allemaal behoorlijk ergerniswekkend. Hij botst een paar keer openlijk met de groepsleiders en besluit om voortaan thuis te blijven. Zijn buurman Wim krijgt hier lucht van en nodigt hem uit voor een alternatief gezelschap genaamd Deftig Rechts. De schrijver voelt zich op zijn gemak bij Wim, die exquise whiskeys schenkt en de volledige Library of America in de kast heeft staan, en besluit het daarom een kans te geven. In het huis van een welgestelde stadsgenoot treft hij een allegaartje van in pakken gehulde witte mannen aan, die beurtelings pleidooien voor de vrijheid van meningsuiting en tegen het feminisme houden. Ook deze activiteiten vindt de schrijver behoorlijk enerverend, maar de gratis hapjes en de belangstelling voor zijn werk vergroten zijn ontvankelijkheid. Uiteindelijk trekt een ander gegeven hem over de streep: de conservatieve club stelt steungelden beschikbaar aan medestanders. De schrijver hoopt daar aanspraak op te maken om er zijn forse belastingschuld mee af te lossen. Daarom wordt hij lid en vervolgens webmaster van Deftig Rechts, ook al maken de fascistische denkbeelden die daar rondgesmeten worden hem dikwijls ongemakkelijk.

Voor het grootste deel van het boek schieten de hoofdpersoon en zijn vrouw heen en weer tussen deze twee polen, die gemakkelijk te identificeren zijn als enigszins karikaturale representanten van het gedachtegoed van de Nederlandse partijen BIJ1 en Forum voor Democratie, twee vaste doelwitten in Ouariachi’s columns. Ditmaal gaat hij ze te lijf met satire: Herfstdraad staat vol met uitbundige en vaak groteske beschrijvingen van ideologische confrontaties. Samen vormen ze een soort compilatie van de politieke controverses die de afgelopen jaren door Nederlandse media zijn uitgelicht. Felle discussies over culturele toe-eigening, (de)koloniale taal en het gebruik van het n-woord, zogenaamd onschuldige etentjes met neonazi’s, lezingen over ‘omvolking’ – wie een krantenabonnement heeft of af en toe op Twitter kijkt, zal veel van wat de hoofdpersoon te zien krijgt herkennen.

Als schrijver plukt Ouariachi vrijelijk uit de werkelijkheid, wat de basale geloofwaardigheid van zijn vertelling ten goede komt. Alleen in de hevig verhoogde concentratie van de plausibele gebeurtenissen, die nu ook nog eens allemaal plaatsvinden in de regio, is hij strikt genomen op uitvergroting te betrappen. Maar waar overdrijving binnen dit genre juist effectief gebruikt kan worden om fundamentele aannames te ondergraven – denk aan Soumission (2015) van Michel Houellebecq –, lijkt Ouariachi er genoegen mee te nemen om een reeks ongemakkelijke voorvallen op quasi-journalistieke wijze te ‘tonen’.

En dat is meteen het inhoudelijke zwaktebod van dit boek: het blijft uitentreuren registreren, maar biedt geen verdieping, geen synthese. Als climax is er een protest plus een tegenprotest, uitmondend in een gevecht, wat nog eens moet onderstrepen dat er hoogoplopende politieke spanningen zijn, al zullen weinig mensen daar tegenwoordig nog aan twijfelen. Afzijdig monkelend kan de verteller ten slotte slechts vaststellen dat beide kanten nogal wat gemeen hebben: ‘Waarom haten die mensen elkaar eigenlijk zo? Ze denken exact hetzelfde. Totale obsessie met cultuur, met identiteit…’ Nu het hoefijzermodel is ingeburgerd (Dick Pels introduceerde het zo’n twintig jaar geleden in Nederland), mag dit geen wezenlijk inzicht heten. Het is de vraag of Ouariachi tussen alle smeuïge descriptie door wel echt heeft nagedacht over de materie, want originele, eigen ideeën over het heden zijn in Herfstdraad niet te vinden.

 

Persoonlijke crisis?

Eerder lijkt het alsof politiek het decor vormt voor een persoonlijke crisis. De schrijver maakt niet alleen ruzie met radicaliserende buurtgenoten, maar vooral met zijn vrouw. Zij ergert zich aan zijn flegmatiek en financiële onvermogen, hij heeft spijt van de verhuizing en voelt heimwee naar zijn thuisstad, die hij overigens op nogal melodramatische wijze ventileert:

O, Amsterdam, ik mis je zo vreselijk terwijl ik je haat. Wat vervloekte ik vroeger al die toeristen en hoezeer houd ik nu van ze, want hun aanwezigheid is het bewijs dat mijn liefde voor deze stad geen onzin is, iederéén wil hier zijn, hierheen komen, hier blijven, hier nooit meer weggaan. Waarom ben ík weggegaan? In godsnaam, waaróm?

Evenmin gespeend van sentimentaliteit is zijn evocatie van het nieuwe leven dat hiervoor in de plaats moest komen:

Later op de dag, als ik in het souterrain zit te werken en Salina niet naar de crèche of opa en oma is, hoor ik haar voetjes op de huiskamervloer boven mijn hoofd roffelen, en dan vult mijn buik zich met een warmte die ik verder alleen met verliefdheid associeer. Dit is alles wat ik wil, dit alledaagse gezinsgeluk.

Een simpel leven, dat is waar de schrijver naar verlangt. Hij wil slechts rust, tijd voor zijn familie en daarnaast in stilte kunnen lezen en schrijven. Maar dan komen er lieden die zeggen dat hij geen Hemingway of P.F. Thomése in de kast mag hebben of hem proberen te ronselen als conservatief paradepaardje. Politiek is in deze roman vooral een onderbreking en belemmering van het dagelijks bestaan, geen dynamiek die dat leven stuurt of vormt. Wanneer zijn echtgenote hem verlaat, is dat niet in de eerste plaats vanwege zijn opportunistische alliantie met Deftig Rechts, maar door oplopende irritatie en een groeiende kluwen van welbekende relatieproblemen. In een opwelling van wat sommige anderen misschien virtue signaling zouden noemen, laat de schrijver nog weten dat hij zelf aan de goede kant staat, waarmee hij iedere politieke ambiguïteit rondom zijn persoon – voor zover die er überhaupt al was – uit de wereld helpt: ‘Als ik met een pistool tegen m’n kop zou moeten kiezen tussen extreemlinks of extreemrechts, dan zal ik natuurlijk nooit voor de neonazi’s kiezen.’

Deze plaatsbepaling doet sterk denken aan de manoeuvres van de columnist Ouariachi, die in zijn strijd tegen extremen consequent kamp opzet aan de linkerkant van het centrum en zich afficheert als ‘anti-woke en tóch progressief’. Zo zijn er wel meer overeenkomsten tussen auteur en hoofdpersoon aan te wijzen: ze zijn even oud, debuteerden allebei in 2010, schreven boeken met vergelijkbare titels (Versplintering/Vertedering), wonnen op een gegeven moment de BNG Literatuurprijs en produceren incidenteel krantenstukken om de kost te verdienen. (Interessante zet: zijn Marokkaans-Nederlandse afkomst gaf Ouariachi juist weer door aan de vrouw van zijn hoofdpersoon – ‘Liek’ komt niet van Lieke, maar van Malieka.) Uit recente interviews is op te maken dat de schrijver van Herfstdraad eveneens naar Zaandam verhuisde en daar een relatiecrisis doormaakte.

Ook Ouariachi, voorheen een verdediger van de zuivere literaire verbeelding, waagt zich nu dus aan autofictie. Knipogend laat hij zijn verteller deze omwenteling verklaren: ‘Altijd schreef ik pure fictie, en stond mijn privéleven daar los van, maar nu is de realiteit plundervlees geworden – en ik ben een schrijvende gier. Ik kan niet anders meer. Er is de laatste tijd meer realiteit in mijn leven dan ik kan verdragen.’ En driehonderd pagina’s verderop: ‘Er gebeurt te veel in mijn echte leven om me met fictieve levens bezig te kunnen houden. Misschien moet ik het allemaal opschrijven, wat er op dit moment aan het gebeuren is. En het verkopen als autobiografische, waargebeurde roman. Populair genre.’

Helaas lijdt Herfstdraad aan veel van dezelfde kwalen als andere omvangrijke exponenten van dit genre, bijvoorbeeld Nachtouders (2019) van Saskia De Coster en Lost Children Archive (2019) van Valeria Luiselli. Schrijven in de eerste persoon en de tegenwoordige tijd lijkt in deze gevallen uit te nodigen om iedere losse inval, associatie of gebeurtenis in de tekst op te nemen; elk stukje van het leven wordt een potentieel bestanddeel van literatuur. Zo kom je in deze roman essayistische fragmentjes tegen over de meest uiteenlopende onderwerpen: het bewustzijn en de dood, het wezen van ‘Amsterdamse meisjes’, erotische fantasieën of de muziek van The Cure. Er zit geen filter op de beschrijvingslust van Ouariachi, die observatie op observatie en scène op scène stapelt: deze betrekkelijk simpele vertelling telt bijna vijfhonderd bladzijden en had voor mijn gevoel ook twee keer zo lang kunnen zijn. Een dwingende compositie ontbreekt, al wordt er nog ergens een geforceerd aandoende extra verhaallijn over een stervende familievriend geïntroduceerd, en het is die kabbelende vormloosheid die het lezen van deze roman soms tergend saai maakt.

 

Of literair onbehagen?

Ironisch genoeg wijst de hoofdpersoon zelf op de fundamentele gebreken van dit boek. Terugdenkend aan de bepalende leeservaringen van zijn jeugd constateert hij het volgende: ‘[I]k weet zeker dat ik bij het lezen niet uit was op herkenning, integendeel. Ik wilde opgetild worden uit het alledaagse bestaan van school en thuis, ik wilde meeleven met helden en hun avonturen […].’ Herfstdraad blijft daarentegen zeer dicht op de herkenbare werkelijkheid zitten en biedt amper mogelijkheden om haar te overstijgen. Meevoelen met deze personages is moeilijk omdat de psychologie van iedereen buiten de verteller plat blijft en hijzelf bar weinig ontwikkeling doormaakt, waardoor hij zich aan het einde van de rit als volgt kan typeren: ‘Niet wijs, geen inzicht.’ Opmerkelijke gebeurtenissen zijn er in dit boek genoeg, maar er is geen ingenieus plot dat de losse scènes met elkaar verbindt en de lezer voortstuwt. Geschikte setting en dramatische bestanddelen waren er wel, alleen is het de schrijver niet gelukt om ze in een unieke, betekenisvolle structuur te plaatsen. Terwijl juist dat laatste nodig is om de sprong van werkelijkheid naar kunst te maken, zoals blijkt uit het evenzeer van politiek en (recente) geschiedenis doordesemde werk van de auteurs die zowel de hoofdpersoon als schrijver van Herfstdraad als voorbeelden beschouwt: Zadie Smith, Philip Roth, Salman Rushdie.

Of dat van Jamal Ouariachi zelf. Met Een honger (2015) schreef hij namelijk een daverende, uiterst ambitieuze roman over ontwikkelingshulp, pedofilie, machtsmisbruik, #MeToo (avant la lettre) en liefde, waarin een bonte keur aan stijlen en registers wordt ingezet om het verhaal te verlevendigen. Ouariachi heeft laten zien dat hij het kan, op het hoogste mikken en nog raakschieten ook, en dat maakt het zo teleurstellend dat deze nieuwe roman op vrijwel alle vlakken niet weet te overtuigen.

De uitzondering hierop vormt een kleine maar bepalende schaduwlijn in dit boek, die handelt over het literaire leven. In terzijdes en dialogen geeft Ouariachi via zijn verteller een ontnuchterend en (helaas!) behoorlijk natuurgetrouw beeld van een cultuur waarin literatuur en het schrijverschap als ambacht gestaag devalueren. Mocht de hoofdpersoon eertijds nog grootheden als Zadie Smith en Ian McEwan interviewen, wat hem het ‘fabuleuze gevoel’ gaf ‘deel uit te maken van de wereldliteratuur’, nu ziet hij zijn romans het afleggen tegen de ‘HEMA-literatuur’ van Arnon Grunberg en Isabel Allende, en houdt hij aan zijn status slechts over dat hij ‘tegen een beschamend tarief per woord leuke lifestylestukjes [mag] tikken’, ‘eens in de maand, genoeg om [z]ijn tijd en concentratie op te vreten, maar veel en veel te weinig om ook maar in de buurt te komen van een normaal inkomen’. Als jongeling met schrijfambities hoopte hij in de literaire wereld ‘een ontmoetingsplaats van briljante geesten’ te vinden, maar hij trof er vooral strebers ‘die het van hun netwerkkwaliteiten moesten hebben’, ’literaire critici [die] boeken als wegwerpproducten behandelen’ en journalisten die hun boekenbijlage liever met ‘human-interestkul’ vullen ‘dan met diepgravende recensies’. De verteller is teleurgesteld en verbolgen, maar kan niet meer terug: nu hij een kind te onderhouden heeft, moet hij zich voegen naar de wetten van de markt en produceren waar vraag naar is, ook al doet hij daarmee afbreuk aan zijn idealen van weleer. Zo bezien is dit ook een roman over een specifiek literair onbehagen: het Jobshuis dat uit herfstdraad en spinrag bestaat, verwijst naast de noodlottige provinciewoning ook naar de culturele habitat in het algemeen, die aan steeds minder mensen onderdak biedt en met het jaar onherbergzamer wordt.

Deze vrij intense melancholie trof me, misschien omdat zij tot op zekere hoogte herkenbaar is voor iedereen die zich vandaag met schrijven bezighoudt, maar ik meende haar snel weer af te moeten schudden: ‘Zelfmedelijden’, schrijft Ouariachi vrij treffend, ‘is zo’n overdekte glijbaan in een tropisch zwemparadijs, vol bochten die je het zicht op de uitgang belemmeren. Duik je er eenmaal in, dan ben je niet meer te stoppen.’ Het kan dat Herfstdraad primair een ontgifting is, een poging van Ouariachi om zich te ontdoen van alles wat hem de afgelopen jaren heeft gekweld – in dat geval hoop ik van harte dat de operatie is geslaagd. Het uitbrengen van een dergelijk project, dat meer nut voor de schrijver heeft dan voor de lezer en kwaliteit inlevert om maar weer een rondje in het publiciteitscarrousel te kunnen maken, lijkt me echter geen stap in de richting van de ideale literatuur die Ouariachi en ik voor ogen hebben. Doen alsof dat wel zo is, staat gelijk aan opgeven, en dat kan niemand van ons zich veroorloven.

 

Recensie: Herfstdraad van Jamal Ouariachi door Lodewijk Verduin

Querido, Amsterdam, 2022
ISBN 9 789021418032
447p.

Geplaatst op 28/03/2022

Tags: autofictie, Herfstdraad, Jamal Ouariachi, Literatuur, Politiek

Categorie: Proza, Recensies

Reacties

  1. Benjamin De Roover

    Hoort het in de eerste alinea niet Fortuyn i.p.v Fortuin te zijn? Verder een heel degelijke bespreking!

    Beantwoorden

  2. Ger Groot

    Wel ironisch. ‘Fortuyn’ heet(te) eigenlijk gewoon ‘Fortuin’, maar dat vond Pim te gewoontjes en hij smokkelde er een sjieke ‘y’ in.

    Beantwoorden

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.