Proza, recensie

Zalven met honing en literatuur

Het einde van de bijen

Caroline Lamarche

‘Als de bijen sterven, is het vier jaar later ook met de mens gedaan’, zou Albert Einstein ooit hebben laten optekenen. Of het citaat echt van Einstein is, staat ter discussie, maar de zorgwekkende daling van het aantal bijen (en andere insecten) en de catastrofale gevolgen ervan voor ons ecosysteem halen geregeld de kranten. In tegenstelling tot wat de titel van Caroline Lamarches laatste roman, Het einde van de bijen (2022), doet vermoeden, is dit niet waar het in het boek om draait – al baart het trieste lot van de natuur de auteur en haar verteller ook zorgen. Het einde van de bijen is de vierde tekst van de Waalse schrijver die in een vertaling van Katelijne De Vuyst bij Uitgeverij Vleugels verschijnt. Voor De Reactor besprak Ewout Goethals eerder de drie andere Lamarche-vertalingen.

Meanderende familiebanden

De autobiografisch gekleurde roman leest als een dagboek van een vrouw die afscheid neemt van haar aftakelende moeder, door de verschillende ijkpunten van de laatste maanden op een eerlijke en onomwonden manier op te tekenen. Tegelijk is het een soort literaire worsteling met die moederfiguur: de verteller probeert dichterbij te komen, ze probeert te begrijpen welke plaats haar moeder inneemt in haar leven en hoe ze zich tot haar verhoudt. Hun band is complex en niet zonder strubbelingen, wat ook voelbaar is in de tekst: het is alsof de verteller haar moeder niet rechtstreeks kan benaderen of vatten, alsof ze er via omwegen en anekdotes omheen weeft, en zo tot een teder tekstueel web komt waarin haar moeder ‘de plek [krijgt] die haar toekomt’.

De band met haar vader, die twaalf jaar eerder stierf, lijkt intiemer en ongecompliceerder, maar ze belooft zichzelf (en haar lezers) om het niet over hem te hebben: dit is een boek voor en over haar moeder. Na de dood van haar vader schreef Lamarche al Dans la maison un grand cerf (Gallimard, 2017, nog niet vertaald naar het Nederlands). Toch lijkt de vader steeds aanwezig, al was het maar als contrast met de moederfiguur; soms springt hij toch even naar de voorgrond en lezen we een liefdevolle herinnering.

De schrijvende verteller geeft dan ook grif toe dat ze zich wel eens verliest in eindeloze associaties, zijsprongen en uitweidingen. Dat is bij het lezen van de tekst wel duidelijk, maar nooit storend. Het is alsof de moeder haar dochter indirect aanspoort om de teugels stevig vast te houden, om niet te veel buiten de lijntjes te kleuren en het lijkt alsof ze zo zelfs stilistisch de toon aangeeft, zonder ooit een dominante aanwezigheid te worden. De moeder is op die manier toch het middelpunt van deze tekst, en hoewel ze een sterk karakter heeft, –‘onverschrokken. In steen gehouwen. Een vrouwelijke commandeur’ – dringt ze zich nooit op, ze wil niemand ‘belasten’. Ze wijkt niet af van hoe ze gelooft dat een vrouw zich moet gedragen, zelfs tot na haar dood: ze zou beter begraven worden naast haar man, omdat dat zo hoort, terwijl ze haar laatste rustplaats eigenlijk liever heeft bij haar ouders, dicht bij haar ‘ouwe trouwe huis’.

Het feminisme van de verteller botst dan ook vaak met de conservatieve opvattingen van haar moeder, die weerklinken in uitspraken als ‘dat een man zijn vrouw bedriegt, is normaal, ze hebben andere behoeften dan wij. Dat een vrouw het doet, is degoutant.’ of ‘eigenlijk een heel aardig boek, ook al was hij homoseksueel’. Tegelijkertijd kan ze niet anders dan de zelfopoffering die zoveel vrouwen tonen in hun huishoudelijke werk waarderen. Daarin schuilt ook één van de linken met de bijen uit de titel, naast het feit dat de moeder imker was: de maatschappij die de bijen niet waardeert of zich in elk geval niet genoeg zorgen maakt om het trieste lot van deze harde werksters (en andere organismen die ons dagelijks onopvallend omringen), is dezelfde maatschappij waarin neergekeken wordt op zorgende of huishoudelijke taken, nog steeds vaak door vrouwen uitgevoerd, en waarin weinig plaats is voor nabijheid, solidariteit en tederheid, zeker in tijden van een pandemie.

De verteller interpreteert het zorgen voor de bijen als een soort ontsnapping: binnenshuis hield de routine van het koken, het schoonmaken en het opruimen de onstuimigheid in toom en was er geen plaats om opgekropte energie de vrije loop te laten. Buiten werken daarentegen vergt kracht en precisie en biedt achteraf ook rust en voldoening. De moeder leek dan ook haar tederheid voor de bijen te sparen: uitingen van genegenheid waren taboe, net als het tonen van sterke emoties. De wrange bijsmaak van dit soort observaties lijkt met de tijd toch haar scherpe kantjes te hebben verloren en plaats te maken voor een soort berusting. ‘Als moeder sterft, wordt ze voor alle eeuwigheid opnieuw imker […] de zachte vrouw […] die ze dankzij de bijen was geworden.’

Op de hoede voor oppervlakkigheid

Op een namiddag in de herfst geniet de verteller samen met haar moeder, die die dag erg zwak is, van het laatste herfstzonnetje. Zij haalt herinneringen op, maar wanneer ze samen stil zijn in de tuin, omringd door de natuur die uitzonderlijk zacht is voor het seizoen, ervaart de verteller een bijna spirituele gelatenheid en harmonie: ‘vrede tussen ons, geen hervonden, maar een gevonden vrede, eindelijk gevonden’. Ze gelooft dat ze haar moeders laatste momenten heeft meegemaakt. Het was ‘een afgezwakte versie van de terugkeer van de bijenmoeder’, waarbij ze op een waardige manier zou zijn gestorven: ‘omzichtig, erop lettend de lucht niet te verplaatsen, zich op haar tenen terugtrekkend zoals je weggaat van een gonzende bijenkorf’. Toch is dit niet hoe het afloopt: ’s avonds brengt de broer van de verteller de moeder naar het ziekenhuis, waar een hartritmestoornis wordt vastgesteld en een pacemaker wordt geplaatst; de verteller houdt zich voor om met geen woord over de ervaring te reppen. In het schrijven krijgt het sleutelmoment net wél een plaats: de tekst is een soort therapeutische, nooit verstuurde brief aan de moeder met wie ze eindelijk in het reine komt, een brief die zijn geadresseerde nooit zal bereiken, zoals de verteller er zelf in bewaring houdt van mensen die een geliefde verloren. Na het voorval droomt de verteller niet langer over haar moeder, maar tussen de lijnen kunnen we wel afleiden dat de wederzijdse genegenheid sindsdien toch wat vaker een plaats krijgt. (Paradoxaal genoeg valt die nieuwe nabijheid ongeveer samen met de niet nader genoemde pandemie die de wereld afstand oplegt).

Hoewel de verteller de onontbeerlijke hulp van het verzorgend personeel en de medische sector onderkent en waardeert – zeker als het gaat om de thuisverpleegsters Pilar en Sylvie (‘de avondlijke fee’), de ‘huishoudster/ziekenoppas’ Gabrielle en de fysiotherapeut Gérard – laat ze zich bijzonder kritisch uit over de sector en de dokters die hun patiënten ‘in weerwil van alles en iedereen behandelen’ en ‘koste wat het kost vecht[en] tegen de dood met behulp van apparaten die ze vooral niet inactief willen laten’, zonder daarbij de patiënt echt als een mens te zien. Waardig leven betekent ook waardig sterven, soms is het leven ‘op’ en is het tijd om te gaan. Ergens voelt de verteller ook dat het voor zichzelf tijd is om afscheid te nemen van haar moeder: zelfs dit soort moeilijke gedachtes gaat Lamarche niet uit de weg.

Ook door haar oogziekte moet de moeder met regelmaat op doktersbezoek. Zij, die altijd zoveel oog had voor details, kan niet meer zien, en dus kijkt de verteller op haar lange wandelingen door de natuur ‘voor twee’, een soort stille ode aan haar moeder. Naast een liefde voor de natuur delen de twee ook een liefde voor literatuur: de dochter, schrijver; de moeder, een groot lezer, leest nu ‘met haar oren’ en verslindt luisterboeken.

De sneeuw – een terugkerend motief in de tekst – doet de verteller terugdenken aan het moment dat ze als kind een wonde opliep door een val met de slee. De passage is dens, vol beelden en associaties en subtiele woordspelingen, en vormde dan ook een uitdaging voor vertaler Katelijne De Vuyst, zoals ze zelf aangaf in een interview. De Vuysts vertaling leest vlot, en probeert dicht bij het origineel te blijven; soms gaat er onvermijdelijk een betekenislaag verloren, maar dat wordt dan op een andere plek met een fijne vondst gecompenseerd. In de Franse passage vormt het woord vol’ (vlucht) de rode draad: de jonge verteller vliegt voor haar slee uit en verwondt zich, op de sneeuw vormen zich bloedvlekken, als was ze één van de vogeltjes die haar neven afschieten. Dat beeld, en het woord ‘vol’ roept een andere gewelddadig voorval op, een trauma dat even bovendrijft, getriggerd door de gedachtestroom: in het Frans wordt ‘vol’ ‘viol’ (verkrachting). De vertaalster houdt het bij

Geveld.

Geweld. De v krijgt een extra vogeltje en onmacht verandert in kracht.

Een elegante oplossing voor de vertaalpuzzel. In de tekst staat de verteller liever niet stil bij het incident (het komt uitgebreid aan bod in één van haar andere boeken, Het geheugen van lucht (2021)) maar duwt ze de pijnlijke herinnering weg met een mooiere: die aan haar vader, ‘man van heimelijke calembours’. Ze legt ook de link met de literatuur, die door oppervlakkig schrijven over iemands leven (‘survoler’) geweld pleegt. Tussen de lijntjes lezen we dat dat is wat ze absoluut wil vermijden in het schrijven over haar moeder.

Zoals de rijke patriciër in de christelijke legende die Lamarche aanhaalt een kerk bouwt voor de Maagd Maria nadat zij aan hem is verschenen en het grondplan getekend in de sneeuw achterlaat, zo schrijft de verteller het verhaal van de laatste maanden van haar moeder neer, nadat ze droomt dat haar moeder een lange nachtelijke tocht onderneemt om haar thuis te bezoeken. De sneeuw uit de legende smelt snel weg (het voorval speelt zich af in hartje zomer), er is dus haast bij. Die drang om alles zo spoedig en zo nauwkeurig mogelijk op te schrijven is ook voelbaar in het relaas van de verteller, al is er tegelijkertijd ook ruimte voor een zekere vertraging, voor stilstaan bij waardevolle momenten om net de verafschuwde oppervlakkigheid (het ‘survoler’ van de literatuur, ‘een luchtige vlucht’) te vermijden.

De korte hoofdstukjes, met Romeinse cijfers genummerd, tellen op, net zoals de leeftijd van de moeder gestaag naar de honderd klimt. Maar zoals een leven zich niet laat vatten in een nietszeggende optelsom van geleefde jaren, ontglipt de tekst op een subtiele manier aan het keurslijf van de strikte chronologie van de ‘aangekondigde dood’, met uitweidingen, associaties, herinneringen, terugkerende beelden en echo’s. Bovendien tekent de cyclische tijd van de natuur zich af op de achtergrond: na de winter wordt het weer lente – ondanks de klimaatverandering die de seizoenen ontregelt. Op de dag die later haar moeders laatste zal blijken te zijn, had de zus van de verteller ‘twee reeën verrast die in de sneeuw krabden op zoek naar grassprietjes’. Zonder expliciet de link te leggen leest de auteur hierin een teken, een teken van hoop en een zekere berusting: ‘Ik ben blij, had moeder op het einde van een lange winter tegen me gezegd, als ik me de plantjes voorstel die in het donker op de terugkeer van de lente wachten.’ De kracht van het fragiele, zowel in ouderdom als in de natuur. Eerder in de tekst, wanneer de verteller net een hele namiddag samen met haar moeder de geraniums heeft gestekt om genoeg plantjes te hebben om de bloembakken de volgende lente van een weelderige bloei te voorzien, merkt de verteller op: ‘Door zo vaak bij haar te vertoeven zal ik op het eind nog gaan geloven dat verdwijnen niets betekent als je weet dat de bloemen die je hebt geplant je zullen overleven.’ Zo gaat het ook met de iep die de vader nog plantte voor hij stierf.

Deze ontroerende, openhartige, harde maar toch fijnzinnige mijmering over afscheid nemen blijft hangen in een hoekje van je hoofd, net zoals het web van de spin Josiane waar de huishoudster in de keuken voorzichtig omheen poetst.

Een recensie door Hannah Cornelus over Het einde van de bijen van Caroline Lamarche.

Uitgeverij Vleugels, Bleiswijk, 2022
Vertaald door: Katelijne De Vuyst
ISBN 978 94 93186 68 2
142p.

Geplaatst op 03/09/2023

Tags: 'Literatuur', Autobiografie, Caroline Lamarche, Ecologie, roman, Rouw

Categorie: Proza, recensie

Naar boven

Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Je reactie zal pas verschijnen na controle op spam. Dat kan een paar uren of dagen duren.